Bij het mogelijk maken van woningbouw of andere gevoelige functies in de nabijheid van agrarische bedrijvigheid speelt spuitzonering een steeds belangrijkere rol. Spuitzonering betreft de afstand die moet worden aangehouden tussen agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt en gevoelige functies, zoals woningen. Op grond van de rechtspraak geldt een afstand van 50 meter als uitgangspunt. Een kortere afstand is juridisch mogelijk, maar in de praktijk uitermate lastig om deugdelijk te onderbouwen. In deze kennisupdate wordt de stand van zaken rond spuitzonering uiteengezet, inclusief de belangrijkste uitgangspunten uit de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en recente ontwikkelingen.
Uitgangspunt: afstand van 50 meter
Er bestaat geen wettelijke bepaling die een minimale afstand voorschrijft tussen de agrarische gronden en gevoelige functies, zoals woningen en tuinen.
Bij gebrek aan een wettelijke norm acht de Afdeling een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt in het algemeen niet onredelijk (zie bijvoorbeeld ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407).
Een kortere afstand is mogelijk, mits deze deugdelijk wordt gemotiveerd. Die motivering moet berusten op zorgvuldig, op de locatie toegesneden onderzoek. Aan dit onderzoek worden hoge eisen gesteld, omdat gewasbeschermingsmiddelen ernstige negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van mensen (ABRvS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3018).
Belangrijke uitgangspunten uit de rechtspraak
Uit de rechtspraak van de Afdeling volgen de volgende kernregels:
- Maximale planologische mogelijkheden zijn leidend; het feitelijke gebruik is niet doorslaggevend (ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:929).
- Het feitelijke gebruik zonder gewasbeschermingsmiddelen is ook niet bepalend indien op een perceel mogelijk al jarenlang geen gewassen zijn geteeld waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt of concrete plannen daarvoor ontbreken (ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:929 en ABRvS 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2439);
- Contractuele beperkingen zijn niet relevant; ook dan moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden (ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407);
- Locatiespecifieke kenmerken zijn essentieel bij het onderbouwen van een kleinere afstand; algemene verwijzingen naar wetenschappelijke literatuur over (de effecten van toegepaste materialen en technieken op) driftreductie volstaan niet (ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:929 en ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:807).
Praktijk: verkorting vrijwel niet haalbaar
Hoewel verkorting juridisch mogelijk is, blijkt in de praktijk dat een afstand kleiner dan 50 meter zelden standhoudt bij de bestuursrechter. Een belangrijke oorzaak is het ontbreken van een algemeen wetenschappelijk rekenmodel waarmee blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen ruimtelijk kan worden beoordeeld en waarmee aanvaardbare afstanden kunnen worden bepaald.
Zo heeft de Afdeling meermaals geoordeeld dat het zogenoemde ‘EFSA-model’ – een rekenmodel van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid dat primair is ontworpen voor de beoordeling van stoffen in toelatingsprocedures – niet geschikt is voor toepassing in het kader van spuitzonering (zie ABRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523; ABRvS 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023; ABRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023 en recent nog in ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:929).
Ook locatiespecifieke onderzoeken gebaseerd op resultaten van driftmetingen van Plant Research International Wageningen (2012, 2014 en 2015) zijn volgens de Afdeling onvoldoende als dragende motivering (ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855; ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1741, en ABRvS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3018).
Ontwikkelingen: onderzoek naar een rekenmodel
Er wordt momenteel gewerkt aan een mogelijke doorbraak. In opdracht van de (voormalige) minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voeren het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Wageningen University & Research (WUR) op dit moment een verkennende studie uit naar de haalbaarheid van nieuwe of bestaande modellen voor het onderbouwen van het blootstellingsrisico in relatie tot spuitzonering.
Volgens een Kamerbrief van 19 november 2025 zullen het RIVM en de WUR halverwege 2026 een rapport opleveren waarin de haalbaarheid van een nieuw rekenmodel wordt beschreven voor het voorspellen van gezondheidsrisico’s van bewoners nabij spuitzones. Dit rapport kan als basis dienen voor vervolgstappen, zoals de daadwerkelijke ontwikkeling van een model.
Zeldzame uitzondering in recente rechtspraak
Totdat een bruikbaar rekenmodel beschikbaar is dat de rechterlijke toets der kritiek doorstaat, blijft de huidige lijn in de rechtspraak – en daarmee een afstand van 50 meter – leidend. Een recente uitspraak van de Afdeling laat evenwel zien dat afwijking in uitzonderlijke gevallen mogelijk is.
In haar uitspraak van 11 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1410) achtte de Afdeling een afstand van 17 meter tussen een gevoelige functie (huisvesting voor arbeidsmigranten) en (de grens van) een agrarisch perceel aanvaardbaar. Volgens de Afdeling werden de bedrijfsvoering en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden op het perceel in dit geval niet onevenredig beperkt, omdat:
- het aanbrengen van driftreducerende kokosmatten verplicht was gesteld in de vergunning;
- een aangrenzende watergang al een bestaande beperking vormde om de gronden nabij de watergang te bespuiten;
- het ging om een relatief klein agrarisch perceel (3.880 m²) dat niet geschikt is voor machinale bespuiting, zodat gewasbeschermingsmiddelen alleen handmatig kunnen worden toegepast. De paden die aangelegd zouden moeten worden voor machinaal bespuiten, zouden de netto beteelbare oppervlakte van het perceel te veel beperken;
- niet aannemelijk is dat op het perceel machinale bespuiting zou gaan plaatsvinden, en
- in de tussentijd vergunde bebouwing op het perceel de drift nog meer zou beperken.
Opvallend is dat de Afdeling de feitelijke ongeschiktheid van het agrarische perceel voor machinale bespuiting in deze uitspraak mede bepalend achtte om een kortere afstand toe te staan, terwijl normaliter wordt uitgegaan van de maximale planologische omstandigheden.
Conclusie
De afstand van 50 meter blijft het uitgangspunt bij spuitzonering. Hoewel verkorting juridisch mogelijk is, is dit in de praktijk uitermate lastig om deugdelijk te motiveren.
Zolang een wetenschappelijk rekenmodel dat de rechterlijke toets der kritiek kan doorstaan ontbreekt, blijft spuitzonering een belangrijke beperkende factor bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische gronden. Wij wachten de uitkomsten van het lopende onderzoek van het RIVM en WUR dan ook met belangstelling af en houden u op de hoogte van relevante ontwikkelingen.
Meer weten over dit onderwerp? Meld u dan aan voor het webinar Actualiteiten woningbouw op 12 mei.


