HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:739

De inlener is aansprakelijk voor een arbeidsongeval waarbij een uitzendkracht letsel heeft opgelopen. Het uitzendbureau (de uitlener) is eigenrisicodrager voor de Ziektewet (art. 63a Zw). Het uitzendbureau zoekt voor de betaalde Ziektewetuitkeringen en re-integratiekosten regres op de inlener. Alhoewel het een art. 81 RO zaak betreft, schetst de AG in zijn conclusie helder hoe de verhaalsbescherming van art. 52b Zw toegepast dient te worden in een geval waarin niet het UWV regres zoekt op grond van art. 52a Zw, maar een eigenrisicodrager.

De feiten

Op 15 april 2011 heeft een uitzendkracht toen hij werkzaamheden verrichtte voor de inlener zodanig ernstig letsel opgelopen bij een arbeidsongeval, dat hij in de periode van 20 april 2011 tot en met 25 juli 2012 arbeidsongeschikt is geweest. Door de ziekmelding kwam aan de uitlening van de uitzendkracht aan de inlener een einde, waarmee ook een einde kwam aan de loondoorbetalingsplicht van het uitzendbureau. Het uitzendbureau heeft als eigenrisicodrager de Ziektewetuitkering en de re-integratiekosten van de uitzendkracht betaald. Het uitzendbureau is van mening dat zij voor deze kosten verhaal kan zoeken op de inlener.

Regresrecht UWV

Het UWV kan op grond van art. 52a lid 1 Zw regres nemen op degene die in verband met het veroorzaken van de arbeidsongeschiktheid van deze werknemer naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht. Dit verhaalsrecht komt bij eigenrisicodragerschap op grond van art. 52a lid 2 Zw toe aan de eigenrisicodrager. Artikel 52b Zw kent echter een regresverbod, dat inhoudt dat alleen een regresrecht kan worden uitgeoefend indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de (materiële) werkgever.

 

Het uitzendbureau wenst voor haar regresvordering van de Ziektewetuitkeringen en re-integratiekosten, net zo behandeld te worden als een werkgever die op grond van art. 6:107a BW regres zoekt op een inlener voor doorbetaald loon en kosten. Indien de inlener onder art. 6:107a BW geen verhaalsbescherming zou toekomen, dient de inlener, volgens het uitzendbureau, ook geen verhaalsbescherming te kunnen ontlenen aan art. 52b Zw.

 

De kantonrechter heeft de vordering van het uitzendbureau afgewezen. De kantonrechter zag niet in waarom het uitzendbureau, ook al is zij geen sociaal verzekeraar, meer rechten zou toekomen dan het UWV. De aanwijzing van eigenrisicodragerschap levert het uitzendbureau een korting op in de afdracht van sociale premies. De consequentie daarvan is dat kosten die bij niet-risicodragers voor rekening van het UWV komen, nu voor rekening van de eigenrisicodrager komen. Nu het uitzendbureau gekozen heeft voor eigenrisicodragerschap en gesteld noch gebleken is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van de inlener, dient de vordering volgens de kantonrechter te worden afgewezen.

De beoordeling door het hof

Het uitzendbureau gaat in hoger beroep. Het hof oordeelt dat uit de Memorie van Toelichting niet kan worden afgeleid dat de wetgever aan de eigenrisicodrager een regresrecht heeft willen toekennen dat een ruimere strekking heeft dan het eigen recht van het UWV. Art. 6:107a BW, dat ziet op het verhaalsrecht van de werkgever voor doorbetaald loon, kent geen zodanige parallel met art. 52b Zw dat de beperking van het verhaalsrecht dat art. 6:107a BW kent, op gelijke wijze toegepast moet worden op art. 52b Zw. Dat kent immers haar eigen regresverbod.

 

Het hof benadrukt dat slechts een verhaalsrecht voor Ziektewetuitkeringen bestaat voor zover dat recht (uitdrukkelijk) door de wetgever is toegekend. Voor de kosten die door het UWV gemaakt zijn, kan zij alleen regres nemen op de werkgever van de gelaedeerde werknemer indien de arbeidsongeschiktheid van de werknemer te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever (dan wel inlener). Dit regresrecht wordt krachtens lid 2 van art. 52a Zw ook aan de eigenrisicodrager toegekend. Dat is eenzelfde regresrecht als het UWV heeft, met ook dezelfde beperking die art. 52b Zw kent. Het hof wijst de vordering van het uitzendbureau af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Cassatie

In cassatie herhaalt het uitzendbureau zijn stellingen wat betreft de gelijkstelling van art. 52a ZW met art. 6:107a BW. Volgens het uitzendbureau mist de verhaalsbescherming van art. 52b Zw ten gunste van de inlener toepassing als niet het UWV, maar een eigenrisicodrager regres zoekt. De wetgever zou bij invoering van art. 52a lid 2 Zw aan deze situatie voorbij zijn gegaan. Daarnaast zou voor zo’n verhaalsbescherming van de inlener rechtvaardiging ontbreken, nu – anders dan het UWV dat zowel de inlener als de uitlener kan aanspreken voor de Ziektewetpremie – de eigenrisicodrager geen Ziektewetpremie int en de inlener logischerwijs daardoor ook niet hoofdelijk aansprakelijk is voor die premie tegenover het UWV.

 

De Hoge Raad doet dit cassatieberoep af met art. 81 Wet RO. Desondanks laten de overwegingen van het hof en de conclusie van de AG zien dat de eigenrisicodrager hier aan het kortste eind trekt en geen enkel voordeel geniet ten opzichte van het regreszoekende UWV.