Onlangs heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de aanvang van de korte verjaringstermijn uit artikel 3:310 lid 1 BW.

HR, 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603.

In dit wetsartikel is ten aanzien van de korte verjaringstermijn bepaald dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van 5 jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.

 

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon zo worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid. Uit eerdere rechtspraak blijkt dat voor die daadwerkelijke bekendheid niet relevant is in hoeverre de benadeelde bekend is met of zekerheid heeft over de juridische beoordeling van feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade of de aansprakelijke persoon (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 24 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677, r.o. 3.3.3 en Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, r.o. 3.3.2).

 

Hoe verhoudt de bovenstaande vaste jurisprudentie zich met de situatie waarin het voor de benadeelde pas na juridisch advies of een rechterlijk oordeel duidelijk is geworden dat hij mogelijk een claim heeft jegens een ingeschakelde adviseur? Dat is de vraag waarover de Hoge Raad zich in deze zaak heeft gebogen.

Wat was er aan de hand?

Een voormalig directeur-grootaandeelhouder van een bouwconcern, eiser 1, blijft na de verkoop van zijn bouwonderneming aandeelhouder van vennootschappen, die door een juridische fusie opgaan in eiseres 2 (hierna gezamenlijk aangeduid als ‘eisers’). Bij de verkoop van zijn ondernemingen heeft eiser 1 om belastingadvies gevraagd. Op basis van dat advies is hij zelf naar Zwitserland geëmigreerd en heeft hij de feitelijke leiding van de vennootschappen verplaatst naar Malta. Daarna zijn forse naheffingsaanslagen opgelegd naar aanleiding van de dividenduitkeringen. Naar aanleiding hiervan is bezwaar en beroep ingesteld tegen de aanslagen, waarbij de adviseur de eisers heeft bijgestaan. Na procedures bij de rechtbank, het hof en de Hoge Raad worden de aanslagen uiteindelijk gehandhaafd.

Eisers stellen de belastingadviseur aansprakelijk op grond van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de met eisers gesloten overeenkomst. De adviseur beroept zich op verjaring.

De rechtbank en het hof: de vorderingen zijn verjaard

De rechtbank en het hof oordeelden dat de vorderingen van eisers op de adviseur zijn verjaard. De rechtbank overwoog dat de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW is aangevangen na de beslissing op bezwaar. Het hof oordeelde dat de verjaringstermijn eerder is aangevangen, namelijk op het moment dat de naheffingsaanslagen werden opgelegd.

De Hoge Raad oordeelt anders

Eisers komen (onder meer) op tegen het oordeel van het hof dat onbekendheid met de juridische beoordeling van de van belang zijnde feiten en omstandigheden niet eraan afdoet dat de verjaringstermijn aanvangt.

 

De Hoge Raad oordeelt dat de reeds genoemde juridische beoordeling niet ziet op de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen. Heeft men die kennis of dat inzicht nog niet, dan kan dat betekenen dat de benadeelde nog onvoldoende zekerheid heeft gekregen dat de schade is veroorzaakt door het tekortschieten of door een fout van de betrokken persoon, aldus de Hoge Raad. Onder omstandigheden kan een benadeelde dan ook pas geacht worden voldoende zekerheid te hebben dat zijn schade is geleden door het tekortschieten of het foutief handelen van de betrokken persoon, wanneer hij die kennis heeft gekregen van een juridisch advies of een rechterlijk oordeel.

 

De Hoge Raad oordeelt dat gelet op de omstandigheden – de adviseur was deskundige en eisers waren van hem afhankelijk, de adviseur had hen telkens verzekerd dat het standpunt van de inspecteur niet juist was – het hof niet, althans niet zonder motivering, voorbij had mogen gaan aan de stellingen van eisers. De Hoge Raad vernietigt het eerder door het hof gewezen arrest en verwijst de zaak door naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing.

De korte verjaringstermijn sluit nu aan bij de klachtplicht

Met dit arrest is de Hoge Raad een nieuwe weg ingeslagen ten opzichte van eerdere rechtspraak met betrekking tot het verjaren van vorderingen in verband met juridische advisering. Met deze nieuwe weg is aangesloten bij wat al geldt bij de klachtplicht (artikel 6:89 BW). Ten aanzien van de klachtplicht geldt namelijk dat naarmate de benadeelde er sterker op mag vertrouwen dat de prestatie niet gebrekkig is, van hem minder snel een onderzoek naar de deugdelijkheid van de prestatie mag worden verwacht. Dit heeft ermee te maken dat de benadeelde in het algemeen mag afgaan op de juistheid van de mededelingen die hem zijn gedaan, zeker als die mogen worden opgevat als geruststellende verklaringen omtrent de deugdelijkheid van de prestatie (zie Hoge Raad 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2014:BY4600 en de conclusie van de AG bij het nu besproken arrest, ECLI:NL:PHR:2020:284). Door dit oordeel van de Hoge Raad sluit de aanvang van de korte verjaringstermijn aan bij wat al geldt bij de klachtplicht.

Wat is de reikwijdte van deze rechtsregel?

De vraag die kan bestaan, is wat het bereik is van de rechtsregel uit dit arrest. In deze zaak ging het om een vordering tot schadevergoeding die voortvloeit uit het toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van een contractuele verplichting door een belastingadviseur. Hoewel de Hoge Raad in dit arrest expliciet heeft gewezen op het mogelijk ontbreken van de juiste kennis of het juiste inzicht in het handelen ten aanzien van de deugdelijkheid van bijvoorbeeld handelen van medici, fiscalisten of juristen (waaruit kan worden geconcludeerd dat de gegeven rechtsregel in ieder geval van toepassing zal zijn in die gevallen), bestaat de vraag of deze rechtsregel ook buiten die gevallen van toepassing zal zijn. Behalve op de rechtsvorderingen op grond van de toerekenbare tekortkoming, is artikel 3:310 BW namelijk ook van toepassing op rechtsvorderingen die hun grond vinden in bijvoorbeeld de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), de onverschuldigde betaling (artikel 6:207 BW) of de ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Denkbaar is dat ook in dat soort zaken voor de benadeelde pas voldoende duidelijkheid bestaat over mogelijke aansprakelijkheid van de betrokken persoon na een juridisch advies of een rechterlijk oordeel. Latere rechtspraak zal over de reikwijdte van de rechtsregel hopelijk meer duidelijkheid geven.