De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle heeft een bijzondere beslissing gewezen op 11 februari 2022. De voorzitter heeft geoordeeld dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens een ernstig vermoeden van misbruik van tuchtrecht door een collega-tandarts.

Feiten en klacht

Klaagster is oud-patiënte van de aangeklaagde tandarts (beklaagde). Zij dient een klacht in naar aanleiding van de mondelinge behandeling van een eerder door haar ingediende tuchtklacht (zaaknummer 228/2020). Klaagster verwijt beklaagde dat hij haar op deze zitting zou hebben uitgemaakt voor ‘uitschot’.

 

Bij de zitting met zaaknummer 228/2020  zijn door beklaagde zijn frustraties uitgesproken over negen klachten die hij in korte tijd tegen zich heeft gekregen. Al deze negen klachten zijn van oud-patiënten die zijn overgestapt naar dezelfde opvolgende tandarts, waardoor beklaagde vermoedt dat deze collega-tandarts (mede) achter deze klachten zit. Klaagster was bij de zitting met zaaknummer 228/2020 niet in persoon aanwezig was maar enkel haar gemachtigde. De gemachtigde treedt in andere zaken op voor de collega-tandarts en heeft in zaak 228/2020 verklaard betaald te worden door die tandarts.

 

In de eerdere uitspraak uit 2019 (zaaknummer 247/2018) heeft het RTG aandacht besteed aan het conflict tussen beklaagde en zijn collega-tandarts en heeft het RTG gewezen op de conflicterende wijze waarop de collega-tandarts met anderen omgaat en voor lief neemt dat tandartsen tegen wie hij klachten indient daar zowel privé als professioneel onder te lijden hebben. Het RTG heeft deze tandarts verzocht met meer terughoudendheid om te gaan met klachten tegen collega’s.

Beoordeling

In de onderhavige zaak benadrukt de voorzitter dat het klachtrecht een groot goed is, dat slechts in uitzonderlijke gevallen dient te worden beperkt. Ook het tuchtrecht behoort echter bescherming te bieden tegen gerechtelijke procedures die uitsluitend of overwegend het oogmerk hebben een ander te schaden, waarbij de voorzitter verwijst naar artikel 3:13 jo. 3:15 BW en ABRvS 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129). Het is de voorzitter bekend dat er sprake is van een inmiddels aanzienlijk aantal klachten tegen beklaagde van de collega-tandarts persoonlijk of van patiënten van die collega, die voorheen patiënt waren van beklaagde.

 

De voorzitter overweegt dat het duidelijk mag zijn dat de tuchtklachten een grote impact kunnen hebben op beklaagde, zowel emotioneel als financieel. Ten aanzien van het belang van klaagster overweegt de voorzitter dat ook in dit geval aanwijzingen zijn dat de collega-tandarts (mede) achter deze klacht schuilt, maar dat het enkele feit dat de klacht is ingediend door een oud-patiënte de klacht niet noodzakelijk het karakter van misbruik van recht ontneemt, wanneer een ander zich bewust op de achtergrond houdt, mogelijk vanwege de motivering in zaaknummer 247/2018.

 

De afweging die gemaakt moet worden is welk belang in deze situatie moet prevaleren: het belang van klaagster of bescherming van beklaagde tegen herhaalde tuchtklachten die een collega-tandarts op de achtergrond vermoedelijk tegen hem op touw zet. De voorzitter komt tot de conclusie dat het door de klaagster gestelde belangen niet opweegt tegen het belang van de tandarts om in rechte te worden beschermd tegen het ernstig vermoeden van misbruik van recht door een derde, in dit geval de collega-tandarts die zich vermoedelijk bewust op de achtergrond houdt.

Opmerkelijk

Dit betreft een bijzondere beslissing. Op de eerste plaats omdat misbruik van tuchtrecht niet snel wordt aangenomen en het aantal uitspraken over misbruik van tuchtrecht beperkt is. Bovendien heeft de tuchtrechter slechts in enkele gevallen geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht, zoals bijvoorbeeld in het geval dat partijen een schikking hebben getroffen – en daarmee bij de ander gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de procedure daarmee is beëindigd – maar daarna alsnog een klacht wordt ingediend.[1] In de hier besproken zaak is daar geen sprake van, maar is misbruik van recht aangenomen op grond van andere bijzondere omstandigheden.

 

Daarnaast betreft onderhavige uitspraak een voorzittersbeslissing ingevolge artikel 67a Wet BIG, welke mogelijkheid per 1 april 2019 is opgenomen in de wet. Van deze mogelijk is in de praktijk echter nog maar zelden gebruik gemaakt. Een voorzittersbeslissing betekent dat de klacht eenvoudig is afgedaan. De secretaris verricht  vooronderzoek nadat de klacht is ontvangen en verwijst de klacht vervolgens door naar de voorzitter, welke een eindbeslissing neemt.  Er vindt dan dus geen behandeling in de raadkamer of op zitting plaats. In onderhavige zaak heeft de voorzitter de klacht direct, zonder eerst partijen te horen, bij kennisneming afgedaan. Beklaagde heeft dan ook geen beroep gedaan op misbruik van recht maar de voorzitter heeft de klacht hier ambtshalve aan getoetst. De voorzitter oordeelde kennelijk tot niet-ontvankelijkheid, waarmee de voorzitter de hulpverlener beschermt tegen het ernstig vermoeden van misbruik van recht. Met deze voorzittersbeslissing doet het tuchtcollege recht aan haar plicht om te waken voor tuchtrechtprocedures waarvan geconcludeerd moet worden dat een ander doel wordt nagestreefd dan het doel van het tuchtrecht (kwaliteitsbewaking en bevordering). Bovendien wordt beklaagde door middel van de voorzittersbeslissing beschermd tegen een lichtvaardige klacht en het doorlopen van een tuchtrechtprocedure die een grote impact op hem kan hebben.

 

[1] CTG 13 augustus 2013, ECLI:NL:TGZCTG:2013:60.