De Raad voor de Rechtspraak heeft de Erasmus Universiteit Rotterdam gevraagd een hulpmiddel te ontwikkelen om smartengeld uniformer en voorspelbaarder vast te stellen. Dat heeft eerder dit jaar geleid tot de publicatie van de Rotterdamse Schaal. Deze schaal is gebaseerd op de Engelse en Ierse Guidelines for the Assessment of General Damages in Personal Injury Cases en geeft per soort letsel of normschending een gebruikelijke bandbreedte voor smartengeld.
Parallel daaraan heeft een werkgroep van civiele en strafrechters bekeken hoe de rechtseenheid verder kan worden versterkt. Dat heeft geleid tot een set aanbevelingen die inmiddels zijn goedgekeurd door de landelijke overleggen vakinhoud straf en civiel. De aanbevelingen zijn gepubliceerd en gelden vanaf 1 januari 2026. Deze aanbevelingen zijn niet bindend voor de rechter. Die bepaalt per individuele zaak, met inachtneming van alle relevante omstandigheden, een billijke smartengeldvergoeding. De aanbevelingen dienen slechts als hulpmiddel.
Aanbeveling 1: Rotterdamse Schaal als uitgangspunt
De eerste aanbeveling is dat rechters het smartengeld in principe bepalen met behulp van de Rotterdamse Schaal. Die schaal geeft per soort letsel of normschending een bandbreedte aan waarbinnen het bedrag meestal zal liggen. De rechter kiest binnen die bandbreedte een passend bedrag, maar kan in individuele gevallen gemotiveerd boven of onder de bandbreedte gaan.
Deze werkwijze is gekozen omdat het gebruik van de ANWB Smartengeldgids, in combinatie met een groeiend aantal zeer uiteenlopende uitspraken, leidde tot weinig overzicht, en grote verschillen tussen civiele en strafrechters. Ook kon het uitmaken hoe overtuigend het letsel werd gepresenteerd of hoe groot de kring rond het slachtoffer was. De behoefte ontstond daarom aan een meer uniforme en inhoudelijk gerichte aanpak.
In de Rotterdamse Schaal staan nu vooral de aard en ernst van het letsel of de normschending centraal. Veel maatschappelijke en persoonlijke gevolgen zijn al verdisconteerd in de bandbreedtes. Alleen wanneer die gevolgen in een concrete zaak toch zwaarder moeten wegen, moet de rechter dat uitdrukkelijk en zorgvuldig toelichten in de motivering van het smartengeld.
Aanbeveling 2: extra opslag voor jonge slachtoffers
Bij blijvend letsel in de A- en B‑categorie wordt extra rekening gehouden met de leeftijd van het slachtoffer. De rechter bepaalt eerst een “neutraal” smartengeldbedrag, alsof het slachtoffer een volwassene is en verhoogt dat bedrag vervolgens:
- Bij kinderen t/m 14 jaar met 25%;
- Bij jongeren en jongvolwassenen van 15 t/m 29 jaar met 15%.
Deze opslag mag ertoe leiden dat de bovenzijde van de bandbreedte wordt overschreden. De gedachte daarachter is dat een jong slachtoffer nog een heel leven moet leven met de gevolgen van het letsel, wat zwaarder weegt dan bij iemand die op latere leeftijd letsel oploopt.
Aanbeveling 3: extra opslag bij opzet en ernstige verwijtbaarheid
De derde aanbeveling zorgt ervoor dat de mate van verwijtbaarheid of opzet expliciet kan doorwerken in de hoogte van het smartengeld. Bij letsel in de A- en B‑categorie kan de rechter, als sprake is van:
- Ernstige verwijtbaarheid, of
- Opzettelijk toegebracht letsel,
het smartengeld verhogen met 10 – 25%, waarbij 25% is voorbehouden aan uiterst verwijtbaar gedrag. Bij risicoaansprakelijkheid geldt deze opslag niet. De bovengrens van de bandbreedte is hierbij geen harde limiet.
De gedachte hierachter is dat slachtoffers meer leed ervaren van opzettelijk toegebracht letsel dan van letsel dat “weliswaar verwijtbaar maar niet opzettelijk is”. De aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het verwijt moeten daarom kunnen meewegen. De rechter bepaalt eerst het “neutrale” smartengeld volgens de Rotterdamse Schaal en telt daar zo nodig het gekozen percentage bovenop, vergelijkbaar met de opslag voor jeugdigen. In de C‑categorie ligt een extra opslag minder voor de hand, omdat daar al sprake is van persoonsaantasting door strafwaardig handelen; alleen in uitzonderlijke gevallen kan de rechter gemotiveerd anders beslissen.
Aanbeveling 4: combinatie van correctiefactoren mogelijk
De correctiefactoren uit aanbeveling 2 (leeftijd) en aanbeveling 3 (opzet/ernstige verwijtbaarheid) kunnen zich in één en dezelfde zaak voordoen. Zij worden dan onafhankelijk van elkaar vastgesteld en toegepast.
Aanbeveling 5: rekenregel bij meervoudig letsel
Voor meervoudig, niet-samenhangend letsel geeft aanbeveling 5 een praktische rekenregel:
- De rechter begint bij het zwaarste letsel: dat telt volledig mee.
- Vervolgens wordt gekeken naar het letsel dat als tweede in ernst geldt; dit wordt volgens de Rotterdamse Schaal gewaardeerd, maar slechts voor 50% meegenomen.
- De bedragen worden opgeteld.
- Pas daarna worden zo nodig de opslagen voor leeftijd en opzet/ernstige verwijtbaarheid toegepast.
Het “derde” en verdere letsels worden niet op dezelfde manier gecumuleerd, maar kunnen wel een rol spelen bij de uiteindelijke plaatsing binnen de bandbreedte (bijvoorbeeld als reden voor een hoger bedrag binnen die bandbreedte). Zo wordt voorkomen dat een simpele optelsom van alle letsels leidt tot een onevenwichtige vergoeding, terwijl de rechter toch een concreet handvat krijgt voor de waardering van meerdere afzonderlijke letsels.
Aanbeveling 6: duur van het letsel als belangrijke factor
In de Rotterdamse Schaal wordt geen harde scheidslijn getrokken tussen tijdelijk en blijvend letsel. Aanbeveling 6 verduidelijkt dat de duur van het letsel een belangrijke factor is voor de hoogte van het smartengeld en maakt daarin onderscheid in drie categorieën:
- Kortdurend letsel: herstel binnen 6 maanden
- Langdurig letsel: hersteltijd tot 2 jaar
- Blijvend letsel: klachten die na 2 jaar nog steeds bestaan
Herstel op korte termijn zal doorgaans leiden tot een lager bedrag dan herstel dat lang duurt, of een situatie waarin herstel helemaal niet intreedt. De aanbeveling laat echter open hoe dit precies moet worden vertaald in de hoogte van de vergoeding; dat blijft vooralsnog aan de rechter om per geval in te vullen.
Tot slot
Het doel van deze aanbeveling is het smartengeld op grond van art. 6:106 BW uniformer en beter voorspelbaar te maken, wat een belangrijke taak voor de rechtspraak meebrengt. Waar de Rotterdamse Schaal (nog) tekortschiet, heeft de werkgroep aanleiding gezien extra handvatten te geven voor punten die in de praktijk al jaren discussie oproepen en waarop de rechtspraak tot nu toe slechts in beperkte mate richting gaf. Het is nu aan de individuele rechter om te bepalen in hoeverre hij deze handvatten in een concrete zaak toepast. Of de rechtspraak er daadwerkelijk in zal slagen een meer uniform systeem voor de toekenning van smartengeld te ontwikkelen, met deze hulpmiddelen, zal in de toekomst moeten blijken.


