Zorgverleners die bij een particulier werken en worden betaald uit een persoonsgebonden budget (pgb), krijgen meer bescherming. De Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis brengt hun rechtspositie dichter bij die van andere werknemers. Dit heeft gevolgen voor pgb-zorgverleners en budgethouders, maar is ook relevant voor zorginstellingen die budgethouders ondersteunen.

De wijziging is vooral van belang voor pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst die doorgaans minder dan vier dagen per week werken. Zij vielen onder een uitzonderingsregeling en hadden daardoor minder bescherming bij ziekte, ontslag en werkloosheid. 

 

Aanleiding voor de wet is een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2023. Daaruit volgt dat het uitsluiten van deze groep van de WW-verzekering vooral vrouwen benadeelt en indirecte discriminatie oplevert. 

 

Met de wetswijziging wordt de rechtspositie van deze groep zorgverleners dichter bij die van andere werknemers gebracht. 

De gevolgen van de wijziging zijn aanzienlijk. Een belangrijk verschil betreft de loondoorbetaling bij ziekte. De periode waarin de budgethouder het loon moet doorbetalen, wordt in beginsel verlengd van zes naar 104 weken. 

 

Daarnaast krijgt de budgethouder als werkgever meer verantwoordelijkheid voor de begeleiding van de zorgverlener bij de terugkeer naar het werk. 

 

Ook de regels rond ontslag veranderen. De reguliere ontslagregels gaan gelden. Afhankelijk van de situatie is voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst instemming van de werknemer, toestemming van UWV of een beslissing van de kantonrechter nodig. 

 

Pgb-zorgverleners vallen bovendien onder de werknemersverzekeringen, zoals de WW, Ziektewet en WIA. Dat betekent niet automatisch dat zij ook een uitkering ontvangen. Daarvoor gelden de gebruikelijke voorwaarden. UWV behandelt deze groep naar aanleiding van de eerdere rechtspraak overigens al als verzekerd. 

Voor zorginstellingen die budgethouders ondersteunen, is de wetswijziging een goede aanleiding om de afspraken en voorlichting over werkgeverschap tegen het licht te houden. 

 

Daarbij is het belangrijk om de verschillende verantwoordelijkheden goed van elkaar te onderscheiden. De verplichtingen liggen bij de budgethouder die de zorgverlener in dienst heeft. Het feit dat de zorg uit een pgb wordt betaald, maakt de zorginstelling niet zelf tot werkgever. 

 

De wijzigingen kunnen wel aanleiding zijn om te beoordelen of budgethouders voldoende worden geïnformeerd over de verplichtingen die samenhangen met hun werkgeverschap. 

Bij de toepassing van de nieuwe regels zijn de ingangsdatum en het overgangsrecht van belang. De wet voorziet voor een groot deel in terugwerkende kracht tot 1 januari 2026, maar kent ook uitzonderingen. 

 

Een uitzondering geldt onder meer voor bepaalde Zvw-pgb’s waarvoor eind 2025 geen gebruik werd gemaakt van de Sociale Verzekeringsbank. 

 

Ook bij ziekte is het moment waarop deze is begonnen van belang. Als de ziekte vóór de toepasselijke ingangsdatum begon, blijft de oude termijn van zes weken gelden. 

 

De gevolgen kunnen dus per situatie verschillen. Een beoordeling van de individuele situatie blijft daarom belangrijk. 

Heeft u vragen over de gevolgen van de Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis voor uw organisatie of een specifieke situatie? Onze specialisten denken graag met u mee.