Wij krijgen regelmatig vragen over de mogelijkheid een cliënt intern te verhuizen, ook wanneer de cliënt of vertegenwoordiger zich daar niet in kan vinden. Recent deed de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam een uitspraak in een procedure over een eenzijdig besluit tot verhuizing van een zorgaanbieder. Deze uitspraak geeft mooie handvatten voor de praktijk en laat bovendien zien dat de rechter oog heeft voor de uitdagingen waarmee zorgaanbieders in de gehandicaptenzorg worden geconfronteerd, waaronder de beperkte beschikbaarheid van plaatsen. Dat geldt overigens net zo goed voor aanbieders in ouderenzorg, zodat de uitspraak ook relevant is voor die sector.

Zorgovereenkomst is niet ‘locatie-gebonden’

Een zorgovereenkomst met een cliënt met een Wlz-indicatie inclusief verblijf is in principe niet locatie-gebonden. De cliënt maakt aanspraak op zorg en verblijf, maar niet op het verblijf op een specifieke locatie. Dit geeft de zorginstelling ruimte om waar nodig tot overplaatsing van cliënten over te gaan. Dit uiteraard wel na overleg en uitsluitend op goede gronden. Wij zien in de praktijk echter regelmatig dat hier misverstanden over bestaan, omdat cliënten en vertegenwoordigers in de veronderstelling verkeren dat de cliënt recht heeft op het verblijf op een specifieke locatie. Dit leidt vaak tot teleurstelling en discussie wanneer de zorginstelling een verhuizing noodzakelijk acht. Voor de cliënt en zijn naasten kan een verhuizing zeer ingrijpend zijn en op weerstand stuiten. Zo kan een andere omgeving leiden tot onrust en voor naasten kan de reisafstand op bezwaren stuiten. Toch kunnen zich situaties voordoen waarin een afweging van de verschillende belangen leidt tot een eenzijdig verhuisbesluit.

 

De situatie is overigens anders wanneer het gaat om een zorgovereenkomst zonder verblijf, die is gekoppeld aan een huurovereenkomst. In dat geval heeft de cliënt een huurovereenkomst voor een specifieke locatie. Op die situatie heeft de uitspraak geen betrekking. Zie voor de systematiek van gekoppelde huur- en zorgovereenkomsten bijvoorbeeld deze blog.

 

De uitspraak

De uitspraak heeft betrekking op een eenzijdig verhuisbesluit van Stichting Zuidwester, een zorgaanbieder die zorg levert aan (onder meer) cliënten met een verstandelijke beperking. Twee zussen, tevens mentor respectievelijk bewindvoerder, kwamen op tegen het besluit van Zuidwester om hun zus te verhuizen. Zij vorderden een verbod om zonder toestemming van de mentor tot verhuizing over te gaan.

 

Uit de uitspraak volgt dat de oorzaak van het geschil is gelegen in het gebrek aan communicatie. Zuidwester heeft meegedeeld dat de cliënt op korte termijn zou gaan verhuizen naar een andere woonlocatie van de instelling. Daarop lieten de zussen direct weten daarmee niet akkoord te gaan, vanwege hun zorgen over de impact van die verandering. Vervolgens is veelvuldig gecorrespondeerd en volgde, een kleine twee maanden na de mededeling en op verzoek van de zussen, een zorginhoudelijke toelichting op het besluit. De zussen bleven zich echter verzetten tegen de verhuizing en besloten een kort geding te starten.

 

De Voorzieningenrechter benadrukt dat het besluit slechts marginaal kan worden getoetst en dus uitsluitend kan worden beoordeeld of de zorgaanbieder in redelijkheid tot het betreffende besluit is gekomen. De rechter baseert zich voor dit kader op de artikelen 8.1.1 lid 4 juncto 8.1.2 lid 1 sub d Wlz. Op grond van die bepalingen moet de zorginstelling de wensen van de cliënt en mentor met betrekking tot de wijze waarop de cliënt haar leven wil inrichten zoveel mogelijk respecteren, tenzij dit in redelijkheid niet van de zorginstelling kan worden gevergd in verband met bijvoorbeeld de rechten van andere verzekerden of een goede en ordelijke gang van zaken.

 

Daarbij wordt door de Voorzieningenrechter ook bevestigd dat uit deze bepalingen in de Wlz en de zorgovereenkomst niet volgt dat de cliënt aanspraak maakt op een specifieke locatie binnen Zuidwester of dat Zuidwester voor een besluit om de cliënt over te plaatsen de instemming nodig heeft van de mentor. Wel brengen genoemde artikelen met zich dat het op de weg lag van Zuidwester om de zussen tijdig op de hoogte te stellen van de voorgenomen vethuizing en hen in de gelegenheid te stellen om hun zienswijze over te brengen voordat het besluit werd genomen. Dat was hier niet gebeurd. De zussen werden pas geïnformeerd over de verhuizing toen het besluit al vast stond. De communicatie die daarop volgde had uitsluitend tot doel om alsnog draagvlak te creëren, aldus de rechter. Overleg over mogelijke andere woonlocaties was niet meer mogelijk. Volgens de rechter is het besluitvormingsproces daarmee niet zorgvuldig verlopen.

 

Het besluitvormingsproces staat echter los van het inhoudelijke besluit tot verhuizing. Voor de inhoudelijke toetsing – zij het marginaal – geldt dat bepalend is of de zorgaanbieder bij het eenzijdig nemen van het besluit in voldoende mate rekening heeft gehouden met de passendheid van de omgeving en het zorgniveau van de nieuwe locatie bij de zorgbehoefte van de cliënt. Daarnaast moet de zorgaanbieder bij de besluitvorming over de huisvesting niet alleen de belangen van de cliënt in het oog houden, maar ook het maatschappelijk belang dat zij de zorg doeltreffend en doelmatig inricht en inzet. Dat houdt ook in dat de zorgaanbieder voortdurend monitort of cliënten in de gehandicaptenzorg op een passende locatie verblijven en een beleid voert dat zorgt voor een optimale benutting van de (beperkt) beschikbare plaatsen.

 

Op basis van de motivering en onderbouwing van het besluit komt de rechter tot de conclusie dat Zuidwester in redelijkheid wel tot het besluit kon komen. Zuidwester had zowel zorginhoudelijke als organisatorische redenen ten grondslag gelegd aan haar besluit. De verhuizing was zowel in het belang van de cliënt gelet op haar zorgvraag als in het belang  van een andere cliënt die op de wachtlijst stond en beter paste bij de locatie waar de cliënt verbleef. Daarbij betrok de rechter ook dat het besluit werd gedragen door een breder team van zorgprofessionals en niet enkel door organisatorische redenen was ingegeven. Het gevorderde verbod werd daarom afgewezen, maar vanwege de onzorgvuldige besluitvorming zag de rechter aanleiding om te bepalen dat beide partijen de eigen proceskosten moeten dragen. Zuidwester heeft volgens de rechter een relevant aandeel gehad in het ontstaan van het geschil.

Belang voor de praktijk

Een verhuizing van een cliënt is altijd ingrijpend. Toch is die stap soms noodzakelijk. Voor zorginstellingen is het goed dat de rechter heeft bevestigd dat een zorgovereenkomst niet locatie-gebonden is, nu daar als gezegd regelmatig discussie over ontstaat. Ook heeft de rechtbank voor de praktijk duidelijke handvatten gegeven. Wij leiden hier de volgende stappen uit af:

  1. Ga na of u goede gronden heeft voor de verhuizing, zoals zorginhoudelijke en organisatorische gronden;
  2. Overleg tijdig met de cliënt en/of vertegenwoordiger over de noodzaak van de verhuizing en licht het besluit uitvoerig toe;
  3. Leg bij voorkeur verschillende locaties voor waaruit kan worden gekozen;
  4. Bij gebrek aan medewerking is het raadzaam om de tijd te nemen om de cliënt en/of vertegenwoordiger mee te nemen in de noodzaak tot verhuizing. Het opleggen van een verhuizing leidt juist vaak tot weerstand en maakt het vinden van een oplossing extra moeilijk.

 

Tot slot is het van belang om oog te hebben voor eventuele toepassing van de Wet zorg en dwang wanneer de cliënt en vertegenwoordiger zich blijven verzetten tegen de verhuizing. In de uitspraak wordt op die wet niet ingegaan, maar daarmee is niet gezegd dat niet ook moet worden getoetst of de verhuizing als gedwongen zorg kwalificeert.

 

Heeft u vragen over verhuizingen van cliënten of andere besluiten die invloed hebben op de relatie met cliënten, neemt u dan contact op met de experts op het gebied van het Gezondheidsrecht van Nysingh, die u hierover kunnen adviseren.