In oktober 2026 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) twee interessante uitspraken waarin het aspect spuitzonering aan de orde komt. In een uitspraak van 7 oktober 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5905) acht de Afdeling een spuitzone van vijftig meter aanvaardbaar waarmee de gebruiksmogelijkheden van een agrarisch perceel worden beperkt. In haar uitspraak van 14 oktober 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:6094) accepteert de Afdeling juist een afstand van 25 meter tussen agrarische gronden en een beoogde bedrijfswoning. In deze blog lichten wij de uitspraken toe en staan wij stil bij de betekenis ervan voor de praktijk.
Wat zegt de vaste rechtspraak over de afstand tussen woningen en agrarische gronden?
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van vijftig meter tussen gevoelige functies (zoals woningen) en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Een kortere afstand is mogelijk, mits deze deugdelijk wordt gemotiveerd. Die motivering moet berusten op zorgvuldig, op de locatie toegesneden onderzoek. Hierbij geldt als uitgangspunt dat moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Het feitelijke gebruik van de gronden is daarbij niet doorslaggevend (zie bijvoorbeeld ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:929).
ABRvS 7 oktober 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5905)
Wat was er aan de hand?
Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft de gemeenteraad van Bernheze (hierna: de raad) het “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, De Bunders, Heesch” als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze (hierna: het wijzigingsbesluit) vastgesteld. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het wijzigingsbesluit. Hij exploiteert een melkveebedrijf en is eigenaar van een perceel in het gebied waar het wijzigingsbesluit op ziet. Op dit perceel teelt hij gras en maïs. Appellant kan zich niet verenigen met het wijzigingsbesluit, omdat aan een groot deel van zijn perceel een aanduiding is toegekend die het gebruik van alle gewasbeschermingsmiddelen uitsluit. Dit beperkt de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel. In beroep betoogt appellant onder meer dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen om bij de keuze op zijn perceel het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uit te sluiten.
Oordeel van de Afdeling
Naar het oordeel van de Afdeling slaagt dit betoog niet. De raad heeft de belangen van appellant afgewogen tegen het belang de nieuwe woningen te kunnen realiseren. Om te voorkomen dat toekomstige bewoners gezondheidsklachten ondervinden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, heeft de raad het gebruik van die middelen binnen een afstand van vijftig meter van de nieuwe woningen niet toegestaan. De raad heeft verkend of met een kleinere afstand kon worden volstaan, bijvoorbeeld door het treffen van landschappelijke driftreducerende maatregelen, zoals een struweelhaag, en onderzocht of de nieuwe woningen anders konden worden gesitueerd. De raad heeft hier echter niet voor gekozen, omdat deze alternatieven onvoldoende bescherming boden dan wel zouden leiden tot het realiseren van minder woningen.
Verder is volgens de raad geen sprake van een onaanvaardbare beperking, omdat appellant het perceel gebruikt voor akkerbouw en niet voor spuitintensieve teelten, zoals boom- of sierteelt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende acht heeft geslagen op de belangen van appellant. De Afdeling wijst erop dat de raad zijn belangen in kaart heeft gebracht en heeft meegewogen. Ook heeft de raad onderbouwd waarom ondanks de negatieve gevolgen voor appellant ervoor is gekozen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet toe te staan binnen vijftig meter van de nieuwe woningen. De Afdeling acht hierbij van belang dat de raad heeft verkend of een kortere afstand mogelijk was, maar ervoor heeft gekozen meer gewicht toe te kennen aan de behoefte aan woningen dan aan de bedrijfsbelangen van appellant. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deze afweging kunnen maken.
ABRvS 14 oktober 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:6094)
Wat was er aan de hand?
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze (hierna: het college) heeft een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een bedrijfswoning met bijgebouw. Daarbij heeft het college een afstand van 25 meter tussen de woning en de landbouwgronden van appellante en anderen (hierna kortheidshalve aangeduid als: appellante) geacht. Op deze gronden worden gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. In hoger beroep betoogt appellante onder meer dat het college die afstand niet acceptabel heeft mogen achten. Volgens appellante wordt in het (pas in hoger beroep ingediende) locatiespecifieke onderzoek uitgegaan van een onjuiste representatieve invulling van de bedrijfsvoering. Het onderzoek gaat volgens appellante uit van een feitelijke invulling in plaats van de maximale planologische mogelijkheden. Ook geeft het onderzoek de feitelijke situatie onjuist weer, omdat er naast snijmaïs ook suikerbieten en consumptieaardappelen op het perceel worden geteeld.
Oordeel van de Afdeling
Niet in geschil is dat de bedrijfswoning beoogd is op 25 meter afstand van gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Ter beoordeling van die afstand heeft vergunninghoudster een locatiespecifiek onderzoek laten uitvoeren. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in dit onderzoek geen rekening is gehouden met de representatieve bedrijfsvoering. In het onderzoek is aandacht besteed aan zowel het feitelijke gebruik van het perceel als aan de maximale planologische mogelijkheden. Om inzicht te krijgen in de spuitbelasting is gekeken naar een representatieve bedrijfsvoering, gebaseerd op de diverse soorten teelten in de omgeving en hoe vaak deze voorkomen. De hoogste spuitbelasting waarmee bezien vanuit de representatieve bedrijfsvoering rekening moet worden gehouden is gemiddeld, aangezien de teelten op 86% van de omliggende gronden een lage tot gemiddelde spuitbelasting kennen, terwijl een hoge spuitbelasting voorkomt op 5% van die gronden.
De Afdeling ziet geen reden voor het oordeel dat de bevindingen uit het onderzoek onjuist zijn of geen deugdelijke motivering zijn voor het hanteren van een kortere afstand dan vijftig meter. Een enkel verschil in de feitelijke invulling van een gebruikte teeltsoort in de omgeving heeft geen gevolgen voor de representatieve bedrijfsvoering in het geheel. Naar het oordeel van de Afdeling kan op basis van het onderzoek een afstand van 25 meter worden aangehouden.
Wat betekenen deze uitspraken over spuitzonering voor de praktijk?
Voor de praktijk bieden deze twee uitspraken nieuwe aanknopingspunten voor het realiseren van gevoelige functies, zoals woningen, in de nabijheid van agrarische bedrijvigheid. Tegelijkertijd laten beide uitspraken zien dat spuitzonering maatwerk is en blijft.
De uitspraak van 7 oktober 2026 laat zien dat de raad de gebruiksmogelijkheden van agrarische gronden kan beperken door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uit te sluiten binnen een zone van vijftig meter rondom gevoelige functies. Van belang is wel dat er een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. In het kader van die belangenafweging zal het naar onze mening verschil maken in hoeverre de bedrijfsvoering wordt beperkt, dan wel onmogelijk wordt gemaakt.
De uitspraak van 14 oktober 2026 laat zien dat het met een deugdelijk locatiespecifiek onderzoek mogelijk is om woningbouw toe te staan op een afstand van minder dan vijftig meter van agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Opvallend is dat de Afdeling ruimte laat om binnen de maximale planologische mogelijkheden te kijken naar een representatieve invulling van de bedrijfsvoering, gebaseerd op de diverse soorten teelten in de omgeving en hoe vaak deze voorkomen. Of met deze uitspraak een verschuiving plaatsvindt ten opzichte van de vaste lijn van de Afdeling dat moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, zal toekomstige rechtspraak van de Afdeling moeten uitwijzen.


