Wat is de juiste verdeelsleutel bij het onderling verhaal tussen verzekeraars in geval van samenloop van verzekeringen?

Het Gerechtshof Amsterdam bevestigt dat van de concrete schade dient te worden uitgegaan.
(ECLI:NL:GHAMS:2020:3328, in hoger beroep op ECLI:NL:RBAMS:2019:1940).

Feiten

Aannemer Fixplan sluit een onderaannemingsovereenkomst met Amnis voor het aanbrengen van bekabeling in een voormalig verzorgingstehuis. Na het aanleggen van de bekabeling, wordt deze door onbekenden doorgesneden. De herstelkosten als gevolg van het vandalisme bedragen € 66.234,94.

 

Fixplan heeft een CAR-verzekering afgesloten bij ASR. Amnis heeft een CAR-verzekering lopen bij Canopius. Fixplan meldt de schade bij ASR, die na aftrek van een eigen risico van € 5.000 overgaat tot uitkering van een bedrag van € 61.234,94 aan Fixplan.
ASR meldt zich vervolgens bij Canopius met het verzoek de helft van het door ASR uitgekeerde schadebedrag aan haar te voldoen. De schade is immers, zo stelt ASR, gedekt onder twee verzekeringen zodat ASR zich op grond van artikel 7:961 lid 3 BW onderling kan verhalen op Canopius.

Canopius betwist samenloop

Is in deze zaak sprake van samenloop? Amnis kwalificeert weliswaar onder de beide verzekeringen als verzekerde, Amnis is echter niet degene aan wie ASR het schadebedrag heeft uitgekeerd. Tussen partijen staat vast dat Fixplan slechts verzekerd is onder de ASR-verzekering.

 

De Rechtbank Amsterdam volgt Canopius in haar standpunt en oordeelt dat voor samenloop noodzakelijk is dat wordt betaald aan de verzekerde die eveneens een aanspraak op de andere verzekeraar had. Aangezien ASR niet aan Amnis maar aan Fixplan heeft betaald, is de samenloopregeling in deze zaak niet van toepassing.

 

De uitspraak van de rechtbank houdt in hoger beroep echter geen stand. Het hof overweegt dat de schade in de onderlinge verhouding tussen Fixplan en Amnis voor rekening van Amnis zou komen. De schade-uitkering is door Fixplan ook aan Amnis doorbetaald. ASR heeft ter zake van de schade van Amnis uitgekeerd en dus is naar het oordeel van het hof sprake van samenloop.

Evenredige verdeling van de schade

Hoe dient vervolgens de schade onderling tussen Canopius en ASR te worden verdeeld? Artikel 7:961 lid 3 BW spreekt van een verdeling ‘naar evenredigheid van de bedragen waarvoor een ieder afzonderlijk kan worden aangesproken’. In de literatuur verschillen de meningen over precieze invulling van ‘het bedrag waarvoor ieder afzonderlijk kan worden aangesproken’. Een toelichting van de wetgever in de wetsgeschiedenis ontbreekt.

 

Mijnssen is van mening dat dient te worden uitgegaan van het maximaal mogelijke bedrag waarvoor iedere verzekeraar afzonderlijk kan worden aangesproken. Het gaat volgens Mijnssen dus om de verzekerde som, met aftrek van een eventueel eigen risico.
Wansink stelt daarentegen dat het gaat om het bedrag waarvoor de verzekeraar in het concrete geval kan worden aangesproken. De daadwerkelijk geleden schade is bij de Wansink-methode het uitgangspunt.

 

Een zaak bij de Rechtbank Den Haag illustreert hoe de verdeling, afhankelijk van de gehanteerde methode, erg kan verschillen (ECLI:NL:RBDHA:2020:3266). In die samenloopzaak kende de verzekering bij Allianz een verzekerde som van 5 miljoen met een eigen risico van € 1.500. De maximale aanspraak van een verzekerde jegens Allianz was dus € 4.998.500. De verzekerde som bij HDI was 1 miljoen, met een eigen risico van € 2.500. De maximale aanspraak van de verzekerde jegens HDI was dus € 977.500. Het ging om een schade van € 250.000. In het concrete geval had de verzekerde tegenover Allianz een aanspraak op € 248.500 en jegens HDI op € 247.500.

De verdeling volgens de Wansink-methode resulteert in de volgende uitkomst:

  • Aandeel Allianz: € 248.500 / € 496.000 x € 250.000 = € 125.252
  • Aandeel HDI: € 247.500 / € 496.000 x € 250.000 = € 124.748.

De verdeling aan de hand van de Mijnssen-methode geeft het volgende resultaat:

  • Aandeel Allianz: € 4.998.5000 / € 5.996.000 x € 250.000 = € 208.410
  • Aandeel HDI: € 977.500 / € 5.996.000 x € 250.000 = € 41.590.

De Wansink-methode regeert

Voor welke methode kiest het Gerechtshof Amsterdam? Het hof houdt het kort: uit de wet volgt niet dat de verzekerde sommen bepalend zijn, zoals onder het oude verzekeringsrecht wel het geval was. Om die reden dient de concrete schade als uitganspunt bij de verdeling van de schade als uitgangspunt te worden genomen. De door Canopius aangevoerde omstandigheden, dat de verzekerde sommen en de ontvangen premies sterk verschillen, brengen daar geen verandering in.

 

Afgelopen jaar oordeelde de Rechtbank Den Haag in de voornoemde uitspraak overeenkomstig (ECLI:NL:RBDHA:2020:3266). Met zijn uitspraak bevestigt nu ook het hof dat artikel 7:961 lid 3 BW volgens de Wansink-methode dient te worden uitgelegd.