De rechtbank Oost-Brabant heeft op 22 januari 2026 een vordering van een werknemer richting zijn werkgever(s) afgewezen omdat de werknemer geen (objectief) bewijs had geleverd dat het ongeval had plaatsgevonden (ECLI:NL:RBOBR:2026:474).

Het ging in deze zaak om een werknemer die (via een uitzendbureau) als lasser werkzaam was bij een bedrijf. Op enig moment heeft de werknemer aan zijn begeleider bij het uitzendbureau laten weten dat hij één dag ervoor zijn knie had gestoten. De werknemer is hiervoor een aantal dagen later naar de huisarts gegaan, die toen slechts een kleine blauwe plek had waargenomen. De huisarts kon verder niets aan de knie zien en meende dat de pijn na vier weken zou wegtrekken. Na een doorverwijzing naar een orthopeed bleek sprake te zijn van artrose. En een aantal maanden later bleek uit een MRI dat sprake was van acuut letsel aan de meniscus.

 

De werknemer had intussen zowel het uitzendbureau (als formele werkgever) als het bedrijf (als materiële werkgever) aansprakelijk gesteld voor de gestelde schade. Om dat met succes te kunnen doen is het op grond van artikel 7:685 BW allereerst vereist dat de werknemer stelt en zo nodig bewijst dat hij de schade heeft opgelopen in de uitoefening van de werkzaamheden. Aan deze stelplicht- en bewijslast worden doorgaans niet al te strenge eisen gesteld.

 

De werkgevers namen echter allebei (onder andere) het gemotiveerde standpunt in dat de werknemer bovengenoemd causaal verband niet had aangetoond. Zo voerden zij onder meer aan dat er geen ooggetuigen waren van het ongeval, dat nooit een melding was gemaakt van het ongeval en dat de werknemer zich nooit ziek had gemeld maar intussen wel maandenlang gemiddeld 45 uur per week werkte. Daarnaast kwam de feitelijke situatie ter plaatse niet overeen met de foto’s die de werknemer van de betreffende locatie had gemaakt. De werkgevers voerden bovendien ook aan dat uit de medische informatie die was overlegd bleek dat de knieklachten werden veroorzaakt door artrose. Voor zover dus wel zou komen vast te staan dat het ongeval had plaatsgevonden, waren de werkgevers van oordeel dat daardoor in elk geval niet de gestelde schade was veroorzaakt.

 

De kantonrechter ging mee in de verweren van de werkgevers. De gemotiveerde betwisting van de werkgevers was door de werknemer namelijk onvoldoende gemotiveerd en/of overtuigend weersproken. Daarmee was niet komen vast te staan dat de werknemer op de betreffende datum (een uit knieletsel voortvloeiende) schade had geleden in de uitoefening van de werkzaamheden, zodat de vordering moest worden afgewezen.

 

Deze uitspraak laat dus zien dat de eerste hobbel voor werkgeversaansprakelijkheid, ondanks dat daar niet al te strenge eisen aan worden gesteld, niet zonder meer kan worden genomen – zeker niet wanneer hiertegen uitvoerig verweer wordt gevoerd.