Kan een veehouder aanspraak maken op fosfaatrechten die zijn toegekend aan de opfokker van zijn jongvee?

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch beantwoordt deze vraag ontkennend in zijn arrest van 28 april 2020.
Op grond van een opfokovereenkomst uit 2014 stelt de veehouder in kwestie zijn jongvee van 3-4 weken oud aan een opfokker beschikbaar totdat het vee 1 jaar oud is. Duidelijk is dat de opfokker steeds rond de 250 dieren voor de veehouder hield gedurende de duur van de opfokovereenkomst. In mei 2017 is de overeenkomst beëindigd.

Toekennen fosfaatrechten

Op de peildatum van 2 juli 2015 had de opfokker 259 stuks jongvee van deze veehouder onder zich en zijn de fosfaatrechten daarvoor volledig aan de opfokker toegekend. De rechten vertegenwoordigden destijds een waarde van ongeveer € 750.000.
De veehouder stelt recht te hebben op (een deel van) deze fosfaatrechten op grond van de aard van de overeenkomst en de redelijkheid en billijkheid en anders (subsidiair) omdat de opfokker ongerechtvaardigd is verrijkt.

Niet vergelijkbaar met in- en uitscharen van vee

De veehouder voerde verder nog aan dat deze situatie vergelijkbaar is met het in- en uitscharen van vee. In dat geval moeten de fosfaatrechten in beginsel verdeeld worden tussen de in- en uitschaarder indien partijen geen afwijkende afspraken hebben gemaakt. Hoe de rechtbank Noord-Nederland oordeelt over de precieze verdeling, leest u in dit artikel van Jessica de Roos.
Het hof overweegt dat de situatie onder de opfokovereenkomst niet gelijk is te stellen met het uit- en inscharen van vee. Bij het uit- en inscharen van vee houdt de ene het vee een deel van het jaar en de houdt de ander het vee voor de rest van het jaar. In dat geval hebben beide houders dus een deel van de fosfaatrechten nodig om het vee in een bepaald jaar te kunnen houden. Het hof overweegt dat in het licht van de opfokovereenkomst de één niet meer en de ander niet minder aan fosfaatrechten heeft gekregen dan hij nodig had voor de bedrijfsvoering, zoals die in 2015 was.

Niet vergelijkbaar met pacht

Verder overweegt het hof dat het opfokken en laten opfokken van jongvee evenmin op één lijn is te stellen met pacht. Pacht ziet in het algemeen niet op de situatie dat de een het vee van de ander houdt. De veehouder beriep zich op een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2019. In dit arrest oordeelde het hof dat de verpachter onder omstandigheden aanspraak kan maken op een deel van de fosfaatrechten van de pachter.

 

Volgens het hof betreft het hier geen vergelijkbaar geval. De aanspraak op fosfaatrechten bestaat enkel indien de verpachter gedurende ten minste twaalf jaar grond en/of gebouwen aan de pachter ter beschikking heeft gesteld. Die aanspraak is in dat geval gerechtvaardigd om een aantal redenen. Zo heeft de verpachter deze bedrijfsmiddelen langdurig aan de pachter ter beschikking gesteld voor diens bedrijfsvoering en hebben deze bedrijfsmiddelen in belangrijke mate bijgedragen aan de omvang van de veestapel van de pachter en daarmee aan het toekennen van de fosfaatrechten aan de pachter. Bovendien zijn de grond en gebouwen zonder fosfaatrechten potentieel minder goed te exploiteren voor de verpachter na het einde van de pachtovereenkomst. Het hof oordeelt dat van dit alles onder de opfokovereenkomst geen sprake is.

Fosfaatrechten voor houder, niet voor eigenaar

De veehouder betoogde verder nog dat de fosfaatrechten (deels) aan hem toekomen omdat hij een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de fosfaatrechten doordat het zijn jongvee betreft. De veehouder stelt in wezen dat de fosfaatrechten aan de eigenaar van het vee moeten toekomen en niet aan de houder. Het hof betoogt dat de wetgever een andere keuze heeft gemaakt. De wet kent de fosfaatrechten in beginsel toe aan de houder van het vee op de peildatum. Bovendien miskent het betoog van de veehouder dat de fosfaatproductie bij de houder plaatsvindt.

Geen ongerechtvaardigde verrijking

Tot slot stelde de veehouder dat de opfokker ten koste van hem ongerechtvaardigd is verrijkt (art. 6:212 BW). Het hof oordeelt dat de gestelde verrijking niet ongerechtvaardigd is. De verrijking volgt immers uit een bewuste keuze van de wetgever. Bovendien heeft de verrijking de veehouder niet verarmd.

Kort en goed

Een veehouder heeft geen recht op (een vergoeding voor) de fosfaatrechten die zijn toegekend aan de opfokker van zijn jongvee. Een vergelijking met in- en uitscharing of langdurige (hoeve)pacht gaat niet op.

Wilt u meer weten over wat deze uitspraak voor u betekent of over fosfaatrechten in zijn algemeenheid? Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Marlotte Hiddema of Jessica de Roos.