Op 1 juli 2022 is de op 24 mei 2022 door de Eerste Kamer aangenomen nieuwe wet “Wet maatschappelijk verantwoord inkopen Jeugdwet en Wmo 2015” in werking getreden. Eén van de onderwerpen die de nieuwe wet beoogt te regelen is het eenvoudiger maken van aanbestedingsprocedures in het sociaal domein en de uitvoeringslasten te verlichten. In deze blog zet ik de belangrijkste aanbestedingsrechtelijke veranderingen voor u op een rij.

Jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning zijn sociale diensten waarvoor bij aanbesteden een hogere Europese drempelwaarde (€ 750.000) en een “verlicht regime” (ook wel: vereenvoudigde procedure) geldt. Het volgen van een vereenvoudigde procedure (artikelen 2.38 en 2.39 Aanbestedingswet 2012) houdt – kort samengevat – in dat de aanbestedende dienst slechts een (voor)aankondiging van de opdracht op TenderNed moet doen, moet toetsen of inschrijvingen voldoen aan de gestelde technische specificaties, eisen en normen, dat hij een proces-verbaal van opdrachtverlening moet opstellen en dat hij na sluiting van de overeenkomst bekend moet maken aan wie de overheidsopdracht is gegund. In de praktijk blijken gemeenten op dit moment geen gebruik te (kunnen) maken van de vereenvoudigde procedure omdat de aanbestedingsregels knellen met de in de Jeugdwet (artikel 2.11) en de Wmo 2015 (artikel 2.6.4) opgenomen verplichting om te gunnen op basis van de ‘economisch meest voordelige inschrijving’ (hierna: emvi). Daarmee worden gemeenten verplicht om – in plaats van een vereenvoudigde procedure – toch een aanbestedingsprocedure met inschrijving in te richten. De in de Aanbestedingswet 2012 gecreëerde ruimte voor sociale diensten wordt dus feitelijk op dit moment door de Jeugdwet en de Wmo 2015 verstoord.

Inkoopprocedures sociaal domein

Al langer streeft het kabinet naar een wijziging van de Europese aanbestedingsrichtlijn (Richtlijn 2014/24/EU) inhoudende dat diensten in het sociaal domein (waaronder jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning) – waarvoor (zoals inmiddels uit onderzoek is gebleken) geen grensoverschrijdende interesse bestaat – worden uitgezonderd van de werking van de richtlijn. Omdat een dergelijke wijziging niet op korte termijn te verwachten valt en de Nederlandse regering zelf ook niet de voorstellen voor een Europese richtlijn kan doen, is met de Wet maatschappelijk verantwoord inkopen Jeugdwet en Wmo 2015 beoogd om, binnen de grenzen van wat op dit moment mogelijk is, de gemeenten zoveel mogelijk te ondersteunen bij het aanbesteden – en breder – het inkopen van jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning.

Emvi-criterium

Met het laten vervallen van het verplichte emvi-criterium in de Jeugdwet en in de Wmo wordt de mogelijkheid tot het volgen van een vereenvoudigde procedure opengesteld en wordt beoogd de uitvoeringslasten en kosten voor zowel de gemeenten als voor geïnteresseerde aanbieders te verlagen. Immers, iedere euro die aan een aanbestedingsprocedure wordt besteed, kan niet meer voor de zorg zelf worden ingezet. In de handreiking SAS-zonder EMVI (vereenvoudigd aanbesteden Wmo 2015 en Jeugdwet) is vooruitlopend op de (inwerkingtreding van de) wet uitgewerkt hoe een aanbestedingsprocedure het beste (en zo laagdrempelig mogelijk) kan worden ingericht om de volledige ruimte in het verlichte aanbestedingsregime te gebruiken. Gemeenten blijven echter verplicht om altijd rekening te houden met de aangeboden kwaliteit en zij mogen niet louter op basis van laagste prijs gunnen. Wij merken verder op dat niet uit het oog moet worden verloren dat – ook bij toepassing van de vereenvoudigde procedure na het schrappen van het verplichte gunningscriterium emvi – de basisbeginselen van het aanbestedingsrecht moeten worden nageleefd.

Open house procedure

Verder hoopt het kabinet dat gemeenten door de nieuwe wet geprikkeld worden om minder snel te kiezen voor de open house procedure. Het kabinet acht de open house procedure vooral bij complexe vormen van zorg ongeschikt, omdat alle partijen die voldoen aan de vooraf door de gemeente gestelde (geschiktheids-)eisen een contract krijgen en er niet verdergaand wordt geselecteerd op kwaliteit, de aanbieders geen enkele zekerheid hebben over de hoeveelheid zorg die zij zullen gaan leveren en de te behalen omzet, terwijl zij wel investeringen moeten doen om de zorg te kunnen verwezenlijken. Ook ligt het risico op onderlinge concurrentie met een kostenverhogend effect op de loer. Deze nadelige effecten spelen niet bij de vereenvoudigde procedure.

Tot slot

Tot slot merken wij op dat het gemeenten vrij staat om aan te besteden op basis van één van de reguliere Europese aanbestedingsprocedures in de Aanbestedingswet 2012. In dat geval geldt wel het emvi-criterium. Het is en blijft aan gemeenten om bij iedere overheidsopdracht te kiezen welke aanbestedingsprocedure wordt toegepast.

 

Naast de aanbestedingsrechtelijke wijzigingen zijn in de nieuwe wet ook grondslagen opgenomen voor het stellen van regels voor de bepaling van reële prijzen bij de inkoop van jeugdzorg en over het waarborgen van continuïteit binnen de zorg. Meer weten over dit zorginhoudelijke aspect? Ik verwijs u graag naar de blog van mijn collega Annechien Beijering – Beck.