Deze uitspraak van de ABRvS van 18 maart j.l. (ECLI:NL:RVS:2020:789) draait om de vraag in hoeverre nieuwe beroepsgronden kunnen worden aangevoerd als een bestuursorgaan na een vernietiging van een besluit door de bestuursrechter een nieuw besluit heeft genomen.

Achtergrond

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college van Stede Broec aan de gemeente Stede Broec een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen in verband met de renovatie van een brug. Een eigenaar van een pand nabij deze brug procedeert tegen deze omgevingsvergunning en stelt dat ook een omgevingsvergunning voor een planologische afwijkactiviteit had moeten worden verleend.

 

Uiteindelijk heeft hij bij de Afdeling succes met dit standpunt. In de uitspraak van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3388) oordeelt de Afdeling dat het renoveren van de brug in strijd is met het bestemmingsplan “Kom Stede Broec”, omdat een gedeelte van de brug is voorzien op gronden met de bestemming “Verkeer-Verblijf” en deze bestemming niet voorziet in het bouwen van een brug.

 

Het college had de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo daarom ook moeten aanmerken als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat betekent dat het besluit op bezwaar van 13 juli 2015 in strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, van de Wabo is genomen. Dit besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking, aldus de Afdeling. In de uitspraak van 17 oktober 2018 heeft de Afdeling bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Beroep tegen hernieuwde besluitvorming

Het college van Stede Broec neemt op 2 juli 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar. De eigenaar van het pand nabij de brug dient vervolgens beroep in tegen de nieuwe beslissing op bezwaar. De Afdeling constateert dat de gronden die hij tegen het besluit van 2 juli 2019 heeft aangevoerd, ofwel gronden zijn waarover de Afdeling al in de uitspraak van 17 oktober 2018 een oordeel heeft gegeven, of nieuwe gronden over de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

Herhaling beroepsgronden

Voor de gronden waarover de Afdeling al een oordeel heeft gegeven, overweegt de Afdeling dat dit oordeel met de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018 in rechte is komen vast te staan. Dit betekent dat in beroep tegen het besluit van 2 juli 2019 van de juistheid van dit eerder door de Afdeling gegeven oordeel moet worden uitgegaan. Van dit oordeel kan dan ook niet, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, worden teruggekomen. Van een zeer uitzonderlijk geval is hier geen sprake. In zoverre kan hetgeen appellant heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het besluit van 2 juli 2019.

Nieuwe beroepsgronden

Voor de nieuwe gronden over de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, geldt dat bij hernieuwde besluitvorming na een eerdere beroepsprocedure, zonder hernieuwde toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, geen nieuwe gronden kunnen worden aangevoerd. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan volgens de Afdeling niet worden aanvaard dat nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht, tenzij het nieuwe besluit de partij in een nadeliger positie brengt. De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak van 24 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:220).

 

Wat de activiteit bouwen betreft, brengt het besluit van 2 juli 2019 appellant niet in een nadeliger positie ten opzichte van het eerdere besluit van 13 juli 2015. Voorts had deze appellant volgens de Afdeling deze beroepsgronden reeds naar voren kunnen brengen tegen het besluit van 13 juli 2015. Gelet hierop kunnen de nieuwe beroepsgronden over de activiteit bouwen nu niet meer aan de orde komen.

Conclusie

Uit deze uitspraak blijkt dat bij een nieuw besluit dat na een eerdere beroepsprocedure, zonder hernieuwde toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, geen nieuwe gronden kunnen worden aangevoerd. Dat is alleen anders als het nieuwe besluit de partij in een nadeligere positie brengt.