Op 8 april 2021 droeg de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel de IGJ bij voorlopige voorziening op om de geplaatste aantekening over een verpleegkundige in het register, zoals bedoeld in artikel 8.28 in het Uitvoeringsbesluit Wkkgz, te verwijderen (ECLI:NL:RBOVE:2021:1479). Reden daarvoor was dat de IGJ niet bevoegd was om een onderzoek in te stellen naar het handelen van deze verpleegkundige, en zodoende ook niet bevoegd was om naar aanleiding van de uitkomst van dat onderzoek een aantekening in het genoemde register te plaatsen.

Feiten
Tegen de verpleegkundige (in de voorlopige voorziening: verzoekster) is een tuchtprocedure gevoerd in verband met het feit dat zij van een inmiddels overleden patiënt allerlei schenkingen had ontvangen en deze patiënt haar bovendien tot erfgenaam had gemaakt, waardoor zij bij zijn overlijden ongeveer € 750.000,- van hem erfde.

 

In eerste aanleg oordeelde het Regionaal Tuchtcollege (RTG) Zwolle dat de verpleegkundige de professionele grenzen die zij als verpleegkundige in acht behoorde te nemen, heeft overschreden en heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ten opzichte van de patiënt en diens naaste betrekkingen behoorde te betrachten (ECLI:NL:TGZRZWO:2019:44). Het RTG legde de verpleegkundige een schorsing van drie maanden op. In beroep ging deze maatregel van tafel, sterker: strandde de kwestie op niet-ontvankelijkheid van de klagers (ECLI:NL:TGZCTG:2019:281).

 

De IGJ (verweerder) kreeg, zoals dat gebruikelijk is, afschriften van deze uitspraken en zag op basis daarvan aanleiding om ook zelf nog onderzoek in te stellen naar het handelen van de verpleegkundige. De hoofdvraag van het onderzoek was of sprake was van een situatie die voor de veiligheid van cliënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen, zoals vastgelegd in artikel 25 Wkkgz.

 

Kennelijk gaven de uitkomsten van dat onderzoek de IGJ aanleiding alsnog ook zelf een tuchtprocedure tegen de verpleegkundige te starten, en door de IGJ werd reeds een aantekening over deze verpleegkundige opgenomen in het register zoals bedoeld in artikel 8.28 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz (dat is het register dat – kort gezegd – in het kader van de vergewisplicht wordt bijgehouden).

 

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing een vermelding over haar op te nemen in het register, en is daartegen ook gerechtelijk opgekomen.

Beoordeling

De voorzieningenrechter oordeelt dat de IGJ niet bevoegd was om naar aanleiding van de beslissingen van het RTG en het CTG een onderzoek in te stellen naar het handelen van verzoekster als verpleegkundige, en licht dat als volgt toe.

 

De IGJ onderzoekt meldingen van zorgaanbieders, en als uit dat onderzoek blijkt dat er sprake is van een situatie die voor de veiligheid van cliënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen, dan mag de IGJ als maatregel (bijvoorbeeld) de justitiële autoriteiten, waaronder begrepen de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg, daarvan in kennis stellen. In de gebruikelijke gang van zaken is het proces bij het tuchtcollege een vervolgstap op het onderzoek van de IGJ.

 

In het onderhavige geval heeft de IGJ als reactie op de beslissingen van het RTG en CTG besloten om onderzoek in te stellen naar de verpleegkundige. Echter, het (volledige) Uitvoeringsbesluit Wkkgz dient ingevolge artikel 8.26 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wkkgz buiten toepassing te blijven ten aanzien van de door de tuchtcolleges aan de inspectie verzonden afschriften van tuchtuitspraken.

 

De voorzieningenrechter verwijst in dat kader naar de Nota van Toelichting bij artikel 8.26 Uitvoeringsbesluit Wkkgz, waarin staat dat tuchtuitspraken een oordeel bevatten over het professioneel handelen van een beroepsbeoefenaar en dat de feiten die in rechte zijn komen vast te staan, als gegeven moeten worden beschouwd. Daarom is het (blijkens de toelichting) niet noodzakelijk dat de inspectie daar nog onderzoek naar doet.

 

Omdat de IGJ niet bevoegd was om naar aanleiding van de tuchtzaak een onderzoek in te stellen naar het handelen van verzoekster als verpleegkundige, was de IGJ evenmin bevoegd om de aantekening in het register te plaatsen. Volgt: IGJ wordt opgedragen de aantekening in het register, zoals bedoeld in artikel 8.28 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz, te verwijderen.

 

Deze beslissing is in zoverre opmerkelijk dat vanwege de niet-ontvankelijk verklaring maar zeer de vraag is of de feiten ten aanzien van het handelen van de BIG-geregistreerde wel in voldoende mate zijn komen vast te staan.