Het Didam-arrest: de essentie
In het Didam-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat overheden, op grond van het gelijkheidsbeginsel, bij de verkoop of uitgifte van onroerende zaken mededingingsruimte moeten bieden. Dit betekent dat overheden bij de verkoop van onroerende zaken in beginsel een openbare selectieprocedure moeten organiseren, waarin aan de hand van objectieve, toetsbare en redelijke selectiecriteria de koper wordt geselecteerd. Overheden moeten daarbij bovendien transparant zijn over de beschikbaarheid van de onroerende zaak en de selectieprocedure die zal plaatsvinden.
De verplichting tot het bieden van mededingingsruimte geldt volgens de Hoge Raad echter niet als vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde voor de onroerende zaak in aanmerking komt. Dit laatste moet ook worden vastgesteld op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria. In dat geval hoeft de overheid geen openbare selectieprocedure te organiseren, maar moet het zijn voornemen tot uitgifte aan deze partij vooraf bekend maken en daarbij motiveren waarom deze partij de enige serieuze gegadigde is.
Inmiddels is duidelijk dat deze ‘Didam-regels’ een breed toepassingsbereik hebben en niet alleen gelden bij de verkoop van onroerende zaken, maar ook bij andere vormen van uitgifte van onroerende zaken, zoals bij verhuur, grondruil, (erf)pacht of het vestigen van een opstalrecht. Met de komst van het Didam II-arrest in november 2024 is bovendien duidelijk geworden dat de Didam-regels altijd al golden, en dus ook van toepassing zijn op het handelen van overheidslichamen dat heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het eerste Didam-arrest.