Dat blijkt wederom uit deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep: ECLI:NL:CRVB:2024:132.

Wat speelde er?

Het gebeurt niet zo vaak: de werknemer was het niet eens met het besluit van het UWV geen loonsanctie op te leggen. In bezwaar blijft het besluit in stand. Zelfs de rechtbank volgde het UWV: geen loonsanctie. Pas bij de CRvB ging dit besluit onderuit. Waarom?

 

De rechtbank en het UWV concludeerden (net als later de CRvB) dat er onvoldoende re-integratie-inspanningen waren verricht. Desondanks vonden zij dat geen loonsanctie moest worden opgelegd. De werknemer had wel functionele mogelijkheden van 20 uur per week. De – wat ik noem – daadwerkelijke arbeidsmogelijkheden waren echter beperkt, gezien de leeftijd en het arbeidsverleden van de werknemer. De beperkingen die er waren, waren duurzaam en op grond van een theoretische functieduiding werd de werknemer voor 80-100% arbeidsongeschikt geacht. Die tekortkomingen zouden niet meer kunnen worden hersteld in een derde ziektejaar. Een loonsanctie – die als doel heeft de tekortkomingen in de re-integratie te herstellen – heeft dan weinig zin. Aldus de rechtbank en het UWV.

 

Hoe oordeelde de CRvB?

De CRvB overwoog anders: ook als arbeidsmogelijkheden beperkt worden inschat, kan van een werkgever worden gevergd dat re-integratie-inspanningen worden verricht. In dit geval waren er functionele mogelijkheden en het gaat dan om een inspanningsverplichting de werknemer te laten re-integreren, niet om het uiteindelijke resultaat.

 

De boodschap

De boodschap die ik opmaak uit deze uitspraak is dat als een werknemer (theoretisch gezien) functionele mogelijkheden heeft, de werkgever moet kunnen aantonen dat zij zich heeft ingespannen die mogelijkheden te benutten. Dat kan er uiteindelijk best toe leiden dat het eindresultaat is dat de werknemer niet daadwerkelijk aan de slag is gegaan. De inschatting dat dit niet gaat lukken ontheft de werkgever er echter niet op voorhand van die inspanningen wel te verrichten.

 

Let op

Een laatste aanvullende opmerking. In deze uitspraak staat dat met een hoger beroep niet kan worden bereikt dat alsnog een loonsanctie wordt opgelegd. De achterliggende reden daarvan is dat dit alleen kan als de 104 weken periode nog niet is verstreken en tegen de tijd dat in deze procedure (of in de procedure bij de rechtbank) uitspraak kon worden gedaan, was dat al gebeurd (zie voor de specifieke voorwaarden artikel 25 lid 11 Wet Wia).

 

Als geen loonsanctie meer kan worden opgelegd, rest de werknemer alleen nog het voeren van een procedure over een eventuele schadevergoeding ten gevolge van het ten onrechte niet opleggen van die sanctie. Die procedure richt zich tegen het UWV.

 

Heeft u vragen? Neem dan gerust contact op!