In deze uitspraak bevestigt de Afdeling de lijn dat een verzoek om omgevingsvergunning dat op een andere wijze is gedaan, dan via het Omgevingsloket of het daarvoor bedoelde formulier, alleen dan een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, als sprake is van een zelfstandig stuk waaruit voor het bestuursorgaan meteen duidelijk is of kan zijn dat een aanvraag is gedaan.

Evidente aanvraag om omgevingsvergunning op andere wijze gedaan?

Op 10 mei 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een interessante uitspraak gedaan, die past in een reeks uitspraken over het ‘evidente aanvraag-begrip’ (ECLI:NL:ABRVS:2023:1839).

Waar ging het in deze uitspraak over?

Het college van burgemeester en wethouders van Velsen (hierna: het college) gelast een exploitant van een kantoorpand, om het gebruik van dat pand als woning in strijd met het bestemmingsplan te staken en gestaakt te houden. De exploitant meent dat het college onbevoegd was om handhavend op te treden, omdat zij een aanvraag had gedaan om een legaliserende omgevingsvergunning voor de bewoning van het pand en dat deze vergunning inmiddels van rechtswege is gegeven. De exploitant stelt dat zij in een brief aan het college ondubbelzinnig en duidelijk te kennen heeft gegeven dat zij een aanvraag heeft ingediend.

 

De vraag die de Afdeling moet beantwoorden is of de betreffende brief van de exploitant moet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Als de brief als een aanvraag kwalificeert, is duidelijk dat de omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven op grond van artikel 4:20b, eerste lid van de Awb in samenhang met artikel 3.9, eerste en derde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Als de brief niet kwalificeert als aanvraag is geen omgevingsvergunning verleend en dus de illegale situatie niet gelegaliseerd, zodat het college een grondslag had om handhavend op te treden.

Wat oordeelt de Afdeling?

Al in eerdere uitspraken oordeelde de Afdeling dat de gebruikelijke weg om een aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen langs de elektronische weg via het Omgevingsloket, of met gebruikmaking van het formulier als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht is, maar dat een aanvraag ook kan worden gedaan op andere wijze.

 

Onder verwijzing naar een uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:829) overweegt de Afdeling vervolgens dat het gelet op de betrokken belangen en de door de wetgever met de regeling beoogde rechtszekerheid, ten aanzien van de figuur van de vergunning van rechtswege, belangrijk is dat meteen duidelijk is voor het bestuursorgaan wanneer de regeling van toepassing is en waarop een van rechtswege gegeven omgevingsvergunning concreet betrekking heeft. Daarom moet duidelijk zijn wanneer een aanvraag om een dergelijke vergunning wordt gedaan.

 

De Afdeling oordeelt in lijn dus met eerdere uitspraken dat een verzoek om omgevingsvergunning dat op een andere wijze is gedaan, alleen dan een aanvraag is als het voor het bestuursorgaan meteen duidelijk is of kan zijn dat een aanvraag is gedaan. Het dient daarbij altijd te gaan om een zelfstandig stuk.

Wat betekent dat in deze zaak?

In deze zaak leidde dat ertoe, dat geen sprake was van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In de betreffende brief was in de volgende te algemene bewoordingen gevraagd om een omgevingsvergunning te verlenen:

 

“Derhalve verzoek ik het college van Burgemeester en Wethouders het volgende:

  • Ontheffing te verlenen voor verblijf in de kantoorruimte voor bewakingsdoeleinden. Aan alle eisen is inmiddels voldaan, zoals vermeld in de mails en aan eventuele aanvullende eisen zal worden voldaan.

 

De ontheffing in stand te houden in afwachting van een beslissing van het college van Burgemeester en Wethouders en bij een negatieve beslissing tot het besluit op een bezwaarschrift en tot dat alle beroepsmogelijkheden zijn afgerond. Dit geeft ons de mogelijkheid het pand normaal te verzekeren en de schade van nieuwe inbraken en vernielingen te voorkomen.

  • Toestemming te verlenen voor het houden van introductie en schoolkampen op het eiland van [pand] in compleet ingerichte tenten of verplaatsbare verblijfunits zodat verwijdering na het seizoen mogelijk is, vergelijkbaar met strandhuisjes die ook na het seizoen weg gaan. Het seizoen hiervoor is van april tm. september. Het is bedoeld voor een max. van 4 nachten aaneengesloten en een bezetting van max. 60 personen per keer. Voor afgelopen seizoen hebben wij daarvoor toestemming gehad van Recreatie Noord Holland maar in het geval de vigerende regelgeving van de gemeente Velsen dit punt opgenomen heeft, zouden wij ook hiervoor een toestemming willen vragen. Deze toestemming geeft ons de mogelijkheid in te spelen op de wensen van de scholen en verenigingen.

 

Gaarne ontvangen wij uw besluit op deze aanvraag en zouden wij graag gebruik maken van de mogelijkheid om onze problemen te bespreken met de verantwoordelijk Wethouder.”

 

De betreffende brief had de exploitant bovendien gestuurd als reactie op een brief van het college, waarin de exploitant werd gewezen op de geconstateerde overtreding. Er was dus ook geen sprake van een zelfstandig verzoek. Gelet op deze twee aspecten ontbrak de vereiste duidelijkheid. Het college was dus bevoegd om handhavend op te treden.

 

In een Afdelingsuitspraak van 24 april 2019 ging het wel goed voor de indiener van ‘de aanvraag’ (ECLI:NL:RVS:2019:1355). In het kader van een beroep wegens niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning, werd geoordeeld dat het voor het college meteen duidelijk had kunnen zijn dat werd verzocht om een omgevingsvergunning. Het ging in dat geval om een zelfstandig stuk waarin duidelijk en precies was aangegeven waar de aanvraag betrekking op had.

 

Les voor de praktijk

Deze uitspraak illustreert dat een vergunning van rechtswege niet zomaar verleend wordt geacht, indien een verzoek daartoe buiten de gebaande paden om wordt gedaan. De aanvrager dient zijn verzoek in een zelfstandig document en helder vorm te geven, wil sprake zijn van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Bestuursorganen dienen op hun beurt alert te zijn op aanvragen die worden gedaan op andere wijzen, zoals in correspondentie per mail of brief.

 

Bestuursorganen die twijfelen over de kwalificatie van een verzoek of menen dat sprake is van een onvolledige aanvraag en willen voorkomen dat een vergunning van rechtswege ontstaat, kunnen tijdig toepassing geven aan artikel 4:5 van de Awb. De aanvrager wordt daarmee in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen en de beslistermijn wordt opgeschort (artikel 4:15 van de Awb). Het bestuursorgaan moet vermelden welke aanvullende gegevens nodig zijn. In de praktijk zal dit er (vrijwel) altijd op neerkomen dat wordt verzocht om de aanvraag alsnog via het Omgevingsloket of het daarvoor bedoelde formulier in te dienen. Blijft de gevraagde aanvullende informatie uit, dan is het sluitstuk de buiten behandelingstelling van ‘de aanvraag’.