Wanneer de Omgevingswet wel in werking zal treden, is nog onbekend.

“Het hoeft niet af, om klaar te zijn”. Dat motto hanteerde de verantwoordelijk minister in een voortgangsbrief over de Omgevingswet aan de Tweede Kamer, eind november 2019. Het streven was toen nog om de Omgevingswet per 1 januari 2021 in werking te laten treden. Daaraan voorafgaand was wel een evaluatie moment gekoppeld: per 1 juli 2020 zou worden bezien of invoering op de voorgenomen datum echt verantwoord is. Onze Omgevingswetspecialisten Mark Tunnissen  en Folmer Helder merkten in hun blog over deze Kamerbrief al op dat de praktijk rekening moest houden met de mogelijkheid van uitstel van de inwerkingtreding van Omgevingswet. Deze mogelijkheid is nu werkelijkheid geworden. Minister van Veldhoven (Milieu en Wonen) heeft in een brief van 1 april jl. aan beide Kamers laten weten dat de Omgevingswet niet per 1 januari 2021 in werking zal treden. Wanneer de Omgevingswet wel in werking zal treden, is nog onbekend.

Uitstel, geen afstel

De minister benadrukt dat het in dit geval enkel gaat om uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en niet om afstel van de wet zelf. De minister zal samen met rijkspartijen, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen bepalen hoeveel extra tijd er nodig is om de Omgevingswet verantwoord in te laten gaan. Daarbij zijn de volgende elementen van belang:

  1. mate van stabiliteit van de wetgeving;
  2. voortgang op het DSO en;
  3. voortgang van de implementatie bij de bevoegde gezagen.
Hoe nu verder?

Het uitstellen van de inwerkingtreding van de Omgevingswet verschaft de betrokken partijen in ieder geval de mogelijkheid om ervoor te zorgen dat het DSO succesvol wordt geïmplementeerd bij alle overheden en de benodigde lokale software door de bevoegde gezagen wordt verkregen.

Toch brengt het niet noemen van een nieuwe datum van inwerkingtreding door de minister onzekerheid met zich. Er is nu sprake van uitstel met een open einde. Te betwijfelen valt of betrokken partijen nog steeds voldoende urgentie zien in de voorbereiding op het implementeren van het stelsel van de Omgevingswet. De komende drie maanden geeft de minister maandelijks informatie over de voortgang van deze implementatie. Dan wordt hopelijk snel duidelijk wanneer invoering (wel) haalbaar is. Het is tijd dat de minister roept: “Klaar? Af!”.

Onteigening onder de Omgevingswet

Het uitstel van de invoering van de Omgevingswet betekent dat ook de bepalingen uit de Aanvullingswet grondeigendom later in werking treden. Op 10 maart 2020 nam de Eerste Kamer de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet aan. De toelichting van de minister aan de Eerste Kamer en het verloop van het debat bespraken wij eerder al op ons onteigeningsblog.

De Aanvullingswet grondeigendom voorziet in de toevoeging aan de Omgevingswet van regels over het voorkeursrecht, onteigening, inrichting van het landelijk gebied en over kavelruil in het stedelijk gebied, en een verdere aanpassing van de regels over het kostenverhaal.

Met de invoering van de Omgevingswet zal de huidige onteigeningsprocedure flink veranderen. De administratieve onteigeningsprocedure bij de Kroon komt te vervallen. Onder de Omgevingswet neemt het bevoegd gezag een onteigeningsbeschikking welke door de bestuursrechter bekrachtigd moet worden. Hiertegen staat vervolgens hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State open. Verwacht wordt dat deze rechtsbescherming in twee instanties voor een langere doorlooptijd van de onteigeningsprocedure zal zorgen.

Met het uitstel van de invoering van de Omgevingswet zullen onteigeningsverzoeken voorlopig nog volgens de bepalingen van de huidige Onteigeningswet worden behandeld. Artikel 4.4 van de Aanvullingswet grondeigendom bepaalt namelijk dat zolang een onteigeningsverzoek vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet bij de Kroon wordt ingediend, het verzoek en de onteigeningsprocedure als geheel worden behandeld en afgerond volgens het ‘oude’ recht.