In diverse bijdragen hebben wij stilgestaan bij de maatregelen die het kabinet heeft genomen om de financiële problemen als gevolg van het coronavirus te beperken. Deze maatregelen zijn gericht op het beschermen van banen en inkomens en trachten de gevolgen voor zzp’ers, MKB-ondernemers en grote bedrijven op te vangen.

De genomen maatregelen zorgen ervoor dat bedrijven hun personeel kunnen doorbetalen, bieden zelfstandigen een overbruggingsregeling en maken het via soepelere belastingregelingen, compensatie en extra kredietmogelijkheden mogelijk dat de liquiditeiten (beter) op peil gehouden kunnen worden. De betreffende maatregelen zorgen er echter niet voor dat alle problemen worden opgelost. Ondanks dat veel marktpartijen coulant zijn en bereid zijn om betalingsregelingen overeen te komen, zullen er zich situaties voordoen dat partijen niet bereid zijn om mee te werken en ervoor kiezen om door middel van een verhaalsactie of een faillissementsverzoek betaling af te dwingen.

Tijdelijke voorziening betalingsuitstel Covid-19

Ondernemers die geconfronteerd worden met een verhaalsactie of een faillissementsverzoek kunnen een beroep doen op de Tijdelijke voorziening betalingsuitstel Covid-19. In juni 2020 van dit jaar schreven wij reeds dat deze regeling ter internetconsultatie was aangeboden. De wet heeft ten doel om schuldeisers van individuele en collectieve verhaalsacties te weerhouden en ondernemers na de versoepeling van de maatregelen de gelegenheid te beiden hun bedrijf weer opnieuw op te starten. Het wetsvoorstel biedt daarmee ondernemers de mogelijkheid om zich te behoeden voor vermijdbare faillissementen of verhaalsacties van schuldeisers en zorgt er op die manier voor dat de schade als gevolg van de coronacrisis zoveel mogelijk beperkt wordt. Ook kan de voorgestelde regeling ertoe leiden dat de uit de publieke middelen gefinancierde steunpakketten efficiënter worden besteed en daadwerkelijk kunnen bijdragen aan het overeind houden van de in beginsel gezonde ondernemingen.

Faillissementsaanvraag

Een ondernemer die geconfronteerd wordt met een faillissementsverzoek krijgt de mogelijkheid om de rechtbank te vragen om de behandeling van het faillissementsverzoek aan te houden. De rechtbank zal een aanhoudingsverzoek toewijzen indien:

 

  1. De ondernemer zijn betalingsverplichtingen tijdelijk niet kan voldoen vanwege een gebrek aan liquide middelen;
  2. Deze liquiditeitsnood hoofdzakelijk of uitsluitend is ontstaan doordat de ondernemer vanwege de uitbraak van het coronavirus of de beperkende maatregelen die de overheid in verband daarmee sinds 15 maart 2020 heeft afgekondigd zijn bedrijfsvoering niet (volledig) heeft kunnen voortzetten;
  3. Voor de uitbraak van het coronavirus of de afkondiging van de beperkende maatregelen geen sprake was van financiële problemen;
  4. Het bedrijf van de ondernemer verdiencapaciteit en toekomstperspectief heeft;
  5. De schuldeisers die het faillissementsverzoek heeft ingediend met de aanhouding niet wezenlijk en onredelijk in zijn belangen wordt geschaad.

 

Als de rechtbank de behandeling van het faillissementsverzoek aanhoudt, kan de schuldenaar niet worden gedwongen tot het voldoen van betalingsverplichtingen die voor die aanhouding al opeisbaar waren. Voor deze schulden krijgt hij dus feitelijk een uitstel van betaling. Als de schuldenaar nieuwe verplichtingen aangaat of er een nieuwe betaaltermijn vervalt bij een lopende overeenkomst, moet hij de betreffende termijn wel kunnen voldoen. Het uitstel geldt alleen voor de betalingsverplichtingen van de schuldenaar jegens de aanvrager(s) van het faillissement. De schuldenaar mag zolang de behandeling van de faillissementsaanvraag wordt aangehouden alleen op de bij de verlening van het betalingsuitstel reeds bestaande schulden betalingen verrichten indien daarvoor voldoende rechtvaardiging bestaat. Dat kan het geval zijn indien door de betaling bewerkstelligd kan worden dat voor de onderneming essentiële leveringen c.q. diensten behouden blijven. De regeling is niet van toepassing indien en voor zover de belastingdienst het faillissement aanvraagt of overgaat tot verhaalsacties.

 

Omdat alleen de aanhouding van de behandeling van faillissementsverzoeken mogelijk niet voldoende zal zijn om de ondernemer in staat te stellen zijn bedrijfsvoering voort te zetten zijn de volgende aanvullende voorzieningen getroffen:

 

  1. Zolang de aanhouding voortduurt, mag de omstandigheid dat de schuldenaar voor die aanhouding een betalingsverplichting niet is nagekomen niet door de schuldeiser, die het faillissementsverzoek heeft ingediend, worden aangegrepen als grond voor – kort gezegd – beëindiging of opschortingen van een overeenkomst met de schuldenaar;
  2. Als het aanhoudingsverzoek wordt toegewezen, kan de schuldenaar de rechtbank ook vragen om te bepalen dat de schuldeisers die het faillissementsverzoek heeft ingediend, ook hun bevoegdheid tot verhaal op goederen die tot het vermogen van de schuldenaar behoren of tot opeising van goederen, die zich in de macht van de schuldenaar bevinden, niet kunnen worden uitgeoefend zonder machtiging van de rechtbank.

 

Het is ook mogelijk dat de rechtbank onvoldoende overtuigd is dat een aanhouding aangewezen is. In dat geval zal de rechtbank het aanhoudingsverzoek moeten afwijzen. De rechtbank kan de schuldenaar in dat geval de mogelijkheid geven om alsnog een uitstel van betaling te krijgen door aan te geven dat het aanhoudingsverzoek niet zal worden ingewilligd en de schuldenaar in staat te stellen surseance van betaling aan te vragen. Dit verzoek wordt dan behandeld voor het verzoek tot faillietverklaring.

 

Een onderneming heeft de mogelijkheid om de rechtbank te verzoeken om driemaal dezelfde faillissementsaanvraag twee maanden aan te houden (dus maximaal zes maanden). Elk verzoek tot verlenging vergt een nieuwe (korte) toets van de rechter. Indien tussentijds een andere schuldeiser een faillissementsaanvraag indient dient de rechtbank ook opnieuw te beoordelen of aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan. De werking van art. 47 Fw (vernietiging voldoening aan opeisbare schulden) en art. 54 Fw (ongedaan maken van verrekeningen) worden grotendeels beperkt als sprake is van een aanhouding van een faillissementsaanvraag. De wetgever heeft dit bepaald, zodat de onderneming ‘gewoon’ aan haar opeisbare schulden kan voldoen. Daarnaast kan dit ertoe leiden dat een financier haar krediet aan de onderneming in financiële nood minder snel zal intrekken.

Schorsing individuele verhaalsmogelijkheden

Het is ook mogelijk dat de schuldenaar wordt geconfronteerd met andere verhaalsacties dan een faillissementsaanvraag. Te denken valt aan een beslaglegging of de executie van een zekerheidsrecht of een beslag. Ook dit kan ertoe leiden dat de schuldenaar niet in staat wordt gesteld zijn bedrijfsvoering weer op te pakken. Een schuldenaar kan de voorzieningenrechter in dat geval vragen om de executie te schorsen of het beslag op te heffen. Voor de toewijzing van een dergelijk verzoek gelden dezelfde voorwaarden als voor de toewijzing van een verzoek tot aanhouding van de behandeling van een faillissementsaanvraag. Het schorsen van een executiebevoegdheid is ingrijpend. Daarom moet de schuldenaar ook aannemelijk maken dat een tijdelijke schorsing van de executie nodig is om zijn onderneming voort te zetten.

Conclusie

De wet zal op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip in werking treden. Gelet op het feit dat de wet een direct gevolg is van de coronaproblematiek verwachten wij dat deze regeling op zeer korte termijn wordt ingevoerd. Ook omdat de regeling (in beginsel) op 1 december 2020 komt te vervallen. Gedurende die tijd heeft de schuldenaar die geconfronteerd wordt met verhaalsacties c.q. een faillissementsaanvraag dus een aanvullende troef in handen om zich tegen dergelijke acties te verweren.

Verwante artikelen

Tijdelijke betalingsuitstelwet 2020 ter consultatie aangeboden