Artikel 185 WVW bepaalt – kort gezegd – dat de bestuurder van een motorrijtuig (automobilist) voor de schade die bij een verkeersongeval is toegebracht aan niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers (fietsers/voetgangers) aansprakelijk is, tenzij sprake is van overmacht.

Van overmacht is slechts sprake indien de bestuurder van het motorvoertuig ‘rechtens geen enkel verwijt’  kan worden gemaakt ter zake de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen. Dat is maar zelden aan de orde. Als van overmacht geen sprake is – zoals hier het geval was – dan dient van de schade van voetgangers/fietsers van 14 jaar of ouder, tenminste 50% te worden vergoed. Dat kan meer worden, maar (vrijwel) nooit minder.

Casus

Een automobilist rijdt op de openbare weg en slaat af naar rechts. Uit tegenovergestelde richting nadert een fietser, waarna een aanrijding volgt. De vraag is vervolgens of de automobilist aansprakelijk is voor de schade van de fietser. De fietser claimt volledige schadevergoeding, maar (de verzekeraar van) de automobilist (AXA) meent dat 50% genoeg is.
Overmacht is niet aan de orde, daarover zijn partijen het eens. De rechtbank moet daarom afwegen in hoeverre de wederzijdse fouten van de fietser en de automobilist het ongeval hebben veroorzaakt en of er aanleiding is tot vergoeding van meer dan 50%.

 

De rechtbank overweegt dat AXA inderdaad tenminste 50% van de schade moet vergoeden, wegens het zgn. ‘Betriebsgefahr’. Dat is het verhoogde gevaar dat inherent is aan gemotoriseerd verkeer. De kwetsbare positie van de fietser zit in die 50% verdisconteerd. (Rechtbank Oost-Brabant 6 mei 2012, ECLI:NL:RBOBR:2021:2408)

 

AXA zal méér dan 50% moeten vergoeden indien de schade voor meer dan de helft is veroorzaakt door de automobilist, en de fietser voor minder dan de helft aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen. Daarna kan de uitkomst van deze causaliteitsafweging op grond van de billijkheid eventueel nog worden bijgesteld.

 

In dit geval komt de rechtbank – op grond van de causale afweging – tot het oordeel dat 75% van de schade voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij speelt een rol dat de fietser tegen de rijrichting inreed, aan de verkeerde kant van de weg. Daarnaast heeft de fietser onvoldoende geanticipeerd op de verkeerssituatie, door geen vaart te minderen en niet extra voorzichtig te zijn. Dat had wel gemoeten, omdat er een bestelbus geparkeerd stond die het zicht van beide partijen belemmerde, het donker was en hij geen goede fietsverlichting had. Bovendien had de fietser moeten begrijpen dat de automobilist niet bedacht zou zijn op fietsers vanaf ‘de verkeerde kant.’

 

Anderzijds had de automobilist voorrang moeten verlenen, en dat heeft hij niet gedaan. Hij had, al was het een eenrichtingsfietspad, toch rekening moeten houden met mogelijk verkeer van de verkeerde kant en dus ook naar links moeten kijken of er niemand aankwam. De automobilist had moeten wachten met doorrijden tot de bestelbus – die het zicht bemoeilijkte – zou zijn doorgereden.

 

Al met al concludeert de rechtbank dat de over en weer gemaakte fouten en de daaraan verbonden risico’s aanleiding geven tot een schulddeling van 75%/25% ten voordele van de fietser. Voor toepassing van de billijkheidscorrectie ziet de rechtbank geen aanleiding. Kennelijk had de fietser daarvoor onvoldoende (zwaarwegende) argumenten aangevoerd.

 

Om reden van billijkheid wijkt de rechtbank wél af van het beginsel dat de verplichting tot vergoeding van de kosten in deelgeschil naar de mate van de eigen schuld (hier dus: 25%) wordt verminderd. Omdat de eigen schuld van de fietser (25%) lager is vastgesteld dan door AXA redelijk werd geacht (50%) en AXA in die zin in het ongelijk is gesteld, vindt de rechtbank het niet redelijk om de kosten van het deelgeschil toch deels voor rekening van de fietser te laten komen. Daarbij speelt ook een rol dat het de intentie van de wetgever is geweest om de financiële drempel voor het vragen van een deelgeschil te verlagen. De rechtspraak laat op dit punt verdeeldheid zien; er zijn ook uitspraken bekend waarin geen volledige vergoeding van de deelgeschilkosten werd toegekend in geval van gedeeltelijke eigen schuld. Hier was echter juist de (mate van) eigen schuld het (enige) onderwerp van debat, en oordeelde de rechter daarom anders.

 

Kortom, de fietser krijgt 75% van zijn schade vergoed, plus de volledige kosten van het deelgeschil.