In art. 7:932 lid 1 BW is de verplichting opgenomen voor de verzekeraar om zo spoedig mogelijk na de totstandkoming van de overeenkomst een polis af te geven. In lid 2 is bepaald dat in het geval van wijzigingen in de overeenkomst eenzelfde verplichting bestaat.

Het hof oordeelde in deze zaak (Hof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6160) dat (de volmacht van) de verzekeraar ten onrechte had nagelaten een polis(aanhangsel) te verstrekken bij het einde van de verzekering. Het hof neemt evenwel geen causaal verband aan tussen die schending en de schade van de verzekeringnemer.

Feiten

Een assurantietussenpersoon is er bij het afsluiten van een (nieuwe) opstalverzekering voor een verzekeringnemer ten onrechte vanuit gegaan dat de inmiddels beëindigde opstalverzekering nog bestond. Nadat de woning van de verzekeringnemer door een brand is verwoest, blijkt dit evenwel niet het geval en is een groot deel van de schade niet verzekerd. In de hoofdzaak is de assurantietussenpersoon hiervoor aansprakelijk gehouden.

Ontbreken van de officiële mededeling van beëindiging verzekering

In deze vrijwaringszaak probeert de assurantietussenpersoon de schade (deels) af te wentelen op (de gevolmachtigde van) de verzekeraar (hierna ‘de verzekeraar’). In dat kader stelt hij dat verzekeraar onzorgvuldig heeft gehandeld tegenover de verzekeringnemer, door geen officiële mededeling van de beëindiging van de verzekering per 1 augustus 2011 (na opzegging door de verzekeringnemer) te verzenden. Het op 5 september 2011 verzonden polisaanhangsel in verband met een beëindiging van een tweede woonhuisverzekering, zou niet ondubbelzinnig vermelden dat de verzekering inmiddels was beëindigd.

Uitspraak van het hof

Het hof oordeelt dat artikel 7:932 lid 2 BW eveneens van toepassing is op de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst. De ratio van deze bepaling is dat de verzekeringnemer voortdurend kan beschikken over schriftelijk bewijs van de inhoud van de verzekering, waardoor hij weet waar hij ten aanzien van de inhoud van de overeenkomst aan toe is. Dat betekent dat ook bij het einde van de verzekering een polis(aanhangsel) moet worden verzonden.

Waar rust de bewijslast?

De bewijslast dat de polis is afgegeven rust op de verzekeraar. Nu (de volmacht van) de verzekeraar niet kan bewijzen dat in verband met de beëindiging een polis naar de verzekeringnemer is verstuurd, neemt het hof aan dat (de gevolmachtigde van) de verzekeraar is tekortgeschoten in haar verplichting.

 

Anders dan de rechtbank, volgt het hof niet het betoog van de assurantietussenpersoon dat het polisaanhangsel met betrekking tot een tweede woonhuisverzekering, die is beëindigd per 1 september 2011, onjuiste dan wel verwarrende informatie bevat. Met de afgifte van het polisaanhangsel d.d. 5 september 2011 heeft (de gevolmachtigde van) de verzekeraar dus niet onzorgvuldig gehandeld.

 

Indien de verzekeringnemer er (mede) vanwege het niet afgeven van dit polisaanhangsel vanuit is gegaan dat de verzekering niet was beëindigd en hij bij het afsluiten van een nieuwe woonhuisverzekering niet over de juiste informatie beschikte over de status van zijn woonhuisverzekeringen, dan kan het volgens het hof zo zijn dat de verzekeringnemer door het tekortschieten, schade heeft geleden.

Causaal verband tussen tekortschieten en schade

Volgens het hof doet deze situatie zich echter niet voor. Op basis van de omstandigheden van het geval oordeelt het hof dat het voor de verzekeringnemer duidelijk moet zijn geweest dat, ondanks de afwezigheid van een polisaanhangsel, de verzekering per 1 augustus 2011 was beëindigd en daarmee niet langer dekking bood. Gelet daarop neemt het hof geen causaal verband aan tussen het tekortschieten van (de gevolmachtigde van) de verzekeraar en de schade van de verzekeringnemer. De vorderingen van de assurantietussenpersoon worden dus afgewezen.

Commentaar

Deze uitspraak vormt een bevestiging van de uitspraak van het hof Den Haag van 25 juli 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:2075) die eerder in de nieuwsbrief is besproken. Mede gelet op de ratio van artikel 7:932 BW, dat de verzekeringnemer voortdurend volledig kan beschikken over schriftelijk (akte)bewijs van de inhoud van de verzekeringsovereenkomst, is deze uitkomst op zichzelf niet verrassend.

 

Verzekeraars moeten er dus op bedacht zijn, dat zij aansprakelijk kunnen zijn voor schade die de verzekeringnemer lijdt, als zij nalaten een polis(aanhangsel) te verzenden bij het einde van de verzekering. Dat zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen als de verzekeringnemer daardoor in de (onjuiste) veronderstelling is komen te verkeren dat er (nog) een verzekering loopt en geen (nadere) dekking regelt.

 

De bewijslast dat de polis is afgegeven en de verzekeringnemer heeft bereikt, rust op de verzekeraar. In de praktijk blijkt het niet zelden lastig te bewijzen dat dit het geval is. Het is dus van belang dit goed vast te leggen.